Ja het moet weer over klimaat gaan op 20210527

Duurzaamheid en Shell

Op het moment dat ik dit schrijf is de uitspraak over het geding van Milieudefensie en Shell nog niet geweest. Toch zijn er al de nodige dingen langsgekomen waardoor het onderwerp klimaat vol in mijn belangstelling staat. Dus JA. En het zal nog wel een tijdje zo blijven. Afgelopen zondag was in Buitenhof het een van de thema’s. In een gesprek tussen Mark Van Baal (followthis) en Maarten Wetzelaar van Shell. Dit naar aanleiding van de motie op de aandeelhoudersvergadering dat het niet snel genoeg gaat met de vermindering van de emissies. Inmiddels ondersteunt 30% van de aandeelhouders die. Het beleid van Shell dat in diezelfde vergadering werd goedgekeurd gaat uit van een reductie van de olieproductie van 1-2% per jaar. Zo gaat het wel erg lang duren, nietwaar. Volgens Shell ligt het aan de gebruikers, die verstoken immers de olie en de benzine waar de CO2 bij vrijkomt. En ja Shell investeert in een proeffabriek voor waterstof productie. Daarmee zou het vrachtverkeer ondersteund kunnen worden. Maar dat is wel voor eigen risico en als het lukt komt er wel meer. De tegenspraak is vooral gericht op het trage tempo van de emissievermindering. Inmiddels is toch ook aan shell duidelijk geworden dat we zoveel tijd niet meer hebben om tenminste de klimaatdoelen van Parijs te halen. Shell kan de verantwoordelijkheid wel leggen bij de automobilist maar zonder echt alternatief kan die niet omschakelen. Hoe ging dat in de jaren ‘60-’70? Ik heb nog meegemaakt dat we onze verwarming via een kolenkachel stookten met “eerlijke anthraciet”. Maar binnen 10 jaar na de boodschap van den Uyl over de mijnsluiting was het over. Mede dankzij Shell en NAM stookten inmiddels alle huizen in Nederland hun verwarming op gas. Dus het kan wel! Een actievere houding van Shell is noodzakelijk.

oliemaatschappijen en klimaat

De activistische beleggers staan niet alleen. Inmiddels is ook het Internationaal Energy Agency zover dat er echt iets moet gebeuren. Hun boodschap is niet mis te verstaan: maak onmiddellijk een einde aan het zoeken naar gas en olievelden en bouw geen nieuwe kolencentrales meer. Alleen dan kunnen de doelstellingen van 2050 gehaald worden. Zo bereik je die echte trendbreuk. In koor gevolgd door de Nederlandse bank: Nederland loopt achter bij realisatie klimaatdoelen. En wat te denken van het CBS: Nederland trekt nog een zware wissel op de natuur. Er moet echt iets gebeuren. De belasting op CO2 uitstoot moet omhoog! (Redactioneel commentaar NRC 22052021 https://bit.ly/3wza0UK)

Bedreiging Biodiversiteit en de politiek

Die zware wissel op de natuur die Nederland trekt op de natuur is onderwerp van het gesprek met J. Terlouw, B. Ojik en M. Schulz van Hagen. Oftewel voorheen vertegenwoordigers van het politieke midden in NL (respectievelijk D66, GL en VVD). Vergeleken met 1900 hebben we nog maar 30% van de biodiversiteit over zegt Terlouw als illustratie van de ernst. Dat hij de urgentie ziet moge duidelijk zijn als je al zijn activiteiten volgt.(zie bv zijn ondersteuning van het manifest voor klimaatrechtvaardigheid  jongerenklimaat NU  Lemniscaat Rotterdam 2021 ISBN 9789047713753). Ojik stelt dat de Nederlandse politiek probeert de keuzen uit te stellen maar het wordt hoog tijd om die keuzen te maken. Schulz van Hagen stelt dat we ook moeten kijken naar de investeringen die we doen om gebruik van de ruimte voor mobiliteit gelijk te laten gaan met investering in de ecologische structuur. Zij verwacht tevens een bijdrage van nieuwe technologie om op tijd aan de doelstellingen te kunnen voldoen. Voor Terlouw het duurt dat allemaal te lang. We zullen indringender keuzen moeten maken. Juist omdat de politieke cyclus maar op 4 jaar gericht is zal het scherper moeten. Dus minder vliegen en geen steun voor het openen van Lelystad. Links heeft naar zijn idee meer gevoel voor de lange termijn klimaateffecten dan rechts.

Thunberg en Attenborough in gesprek

Oud en jong 

Onlangs zag ik een gesprek tussen twee mensen die het thema klimaat en biodiversiteit nadrukkelijk aan de orde hebben gesteld. Sir David Attenborough die met film als instrument onderzoek naar het voorkomen van dieren heeft weten vast te leggen. En in de loop van de tijd de verandering heeft gedocumenteerd.  En Greta Thunberg die als jonge activiste een duidelijke boodschap weet uit te dragen. In dit filmpje toont Attenborough respect voor de daadkracht van de jonge actievoerster. Ja, zij maakt het verschil. Zelf toont zij zich nog niet erg onder de indruk van de resultaten van haar inspanningen. We zijn er inderdaad nog lange niet..Zie tweet Greta Thunberg 12 april 2021  https://bit.ly/3wCO9LRGreta eist met haar stem terecht invloed op over de toekomst van de planeet aarde. 

Naar een eerlijke transitie

De weg naar een eerlijker energietransitie is Lang. In de jaren 60-70 was de keuze betrekkelijk eenvoudig. Voor verwarming van huizen was het zojuist gevonden aardgas een mooi alternatief. Het was van hoge kwaliteit. En omdat het milieuverschil zo groot was lagen urgentie en acceptatie dicht bijeen. Zoals gesteld in 10 jaar was het gepiept. Nu ca 50 jaar later zijn er meerdere mogelijkheden om te benutten. Maar we moeten ook constateren dat het prijsbeleid ten aanzien van energieconsumptie niet geholpen heeft om de innovatie krachtig te ondersteunen. En ja als je nu kunt kiezen tussen een veelheid van energieopties (zonne-energie, aardwarmte, kernsplijting, kernfusie, windenergie, waterkracht) voor welke optie gaan we dan? Hoe zit het met het transport of gaat dat allemaal via decentrale opwekking en eventueel opslag? Heleen de Coninck (Zie Een eerlijke transitie moet het uitgangspunt zijn. Groene Amsterdammer 18 mei 2021  https://bit.ly/3wvHzqH) klimaatwetenschapper stelt terecht dat een eerlijke transitie het uitgangspunt zijn. Zet in op maatwerk. Iedere keuze die je maakt heeft natuurlijk gevolgen voor het maatschappelijk functioneren. En net als met de verandering kolen-aardgas zijn de effecten pas over langere termijn zichtbaar. En omdat iedere keuze invloed heeft op de maatschappij is het niet meer dan logisch dat burgers betrokken worden bij de het hele traject. Juist omdat de tijdshorizon van een dergelijke verandering van de energiemix langer is dan 4 jaar (i.c. de horizon van politici) Juist in deze coronatijd hebben we dan ook een unieke gelegenheid stelt zij. In de organisatie van het herstelbeleid (na corona) kunnen we die indringende keuzen makkelijker maken en zo een “nieuw normaal” creëren. In haar voorbeeld liever CO2 opslag onder Noordzee (als tussenstap) dan extra miljarden voor KLM (waarmee we op de oude voet verder zouden gaan). Wat mij betreft een heldere boodschap.  

Ervaringen in het lokale niveau

In mijn regio Westelijke mijnstreek doen we ook aan energietransitie. Op het bedrijventerrein Chemelot is veel restwarmte. Al vanaf 2009 (!) wordt getracht een bedrijfsplan te maken om die warmte te benutten. Anno 2021 is dat nog steeds niet gelukt. De beoogde rendementen worden niet gehaald omdat de olie en gasprijs te laag is. Aan mensen kan geen alternatief geboden worden. Deze risico’s maken dat er na al die jaren nog steeds geen renderend bedrijfsplan beschikbaar is. En als er dan ook nog geen provinciale gedeputeerde is die een besluit kan nemen over een investeringsbeslissing. Tja dan…, duurt het gewoon nog even langer, toch?

Deze maand behandelen we in de raad de gemeentelijke bijdrage in het regionale energie transitie plan. De 16 Limburgse gemeenten hebben ieder hun eigen plan ontwikkeld en na afzonderlijke goedkeuring wordt er een Zuid-Limburgs nietje doorheen geslagen. Zie RESZL1.pdf.< Pogingen om burgers erbij te betrekken die zijn er wel geweest, natuurlijk alleen voor belanghebbenden. Burgers uit naastliggende gemeenten mogen dan goede inzichten hebben maar in het proces is daaroor geen plaats. Ook is bestuurlijk geen ruimte geboden (vanuit provincie en rijk) of genomen (vanuit lokale klimaatwethouders) om gezamenlijk te voorstellen vanuit meerdere gemeenten te ontwikkelen. In mijn gemeente mag vanwege de luchthaven geen windenergie gewonnen worden. Daarom zal er meer op het gebied van zonneweiden moeten plaatsvinden. Maar dat is tegen het zere been van de inwoners van een naastgelegen dorp. En zo zie je dat lokaal beleid maken niet bepaald eenvoudig is.

RES Zuid-limburg

Hoe komen we hieruit?

Tot nu toe is duidelijk geworden dat de uitvoering van de klimaatplannen zo maar over de schutting gooien van het rijk naar de gemeente niet echt werkt. Belangrijkste manco daarbij het volledig ontbreken van politiek afgestemde richtlijnen en regels. Zie maar hoever je komt. Dat kun je lokaal beter overzien. Het voorbeeld van het kabinet Rutte 3: alle woningen van het gas af te beginnen met de nieuw te bouwen, lijkt krachtig maar blijkt niet te werken. Immers de hoe vraag (welk alternatief heeft de consument?) is niet in de besluitvorming meegenomen.

En dus begint op lokaal niveau de discussie van voren aan. Met de bekende NIMBY als drager van veel commotie. Kortom, tijdens de formatie zal een duidelijke visie neergezet moeten worden. Richt je dan niet op het korte baan werk maar zet een echte verandering in gang. Bijvoorbeeld door te beginnen met een CO2 belasting. Dat werkt ondersteunend aan het reductiebeleid van de CO2 uitstoot. En geef eens aan hoe de verhouding wind, zon, warmtekracht zou mogen worden. Stimuleer experimenten met energieopslag (bv stof dat plan Lievense eens af) en bevorder door experimenten en richtlijnen het gebruik en opslag van energie in waterstof. Dat geeft vervolgens een kompas aan velen over hoe toekomstige activiteiten ingericht zouden kunnen worden.

Het stopzetten van het zoeken naar nieuwe olie en gasbronnen zoals voorgesteld door het IEA is in eerste instantie beperkt van effect. Maar het verhoogt wel de energieprijs. En daardoor geeft het eerder een vertaling van de noodzaak tot verandering naar actief handelen. Via de ontwikkeling van nieuwe energiebronnen of het verminderen van het energiegebruik. En dan is het goed mogelijk om dat op lokaal/regionaal niveau via een publiek-private samenwerking tot realisatie te brengen. Ja en dan kan de burger erop vertrouwen dat zijn mobiliteit en kwaliteit van leefomgeving ook ondersteund wordt.

Een uitspraak met historische gevolgen!

Woensdag 26 mei om 15:00 uur de uitspraak van de rechter in de zaak van Milieudefensie en Shell is gedaan. Deze blijkt historisch te zijn. Shell krijgt het rechterlijk bevel om netto 45 % CO2 te reduceren voor eind 2030. Toch wat anders dan de eigen planning van ca 10-20% over de komende 10 jaar. De eerste keer dat een oliebedrijf aansprakelijk wordt gesteld voor klimaatverandering. Het is duidelijk, het roer moet om, ook in de NL-politiek. En mooi dat we nu midden in een kabinetsformatie zitten. Kan gelijk rekening gehouden worden met deze ontwikkeling. Het is koud en nat maar wat zijn het mooie verwachtingsvolle dagen!



20210520 Eens bioloog……., altijd een fascinatie voor het leven.

Zoeken

Nu ik op een leeftijd ben gekomen waarin ik terug kan kijken op het pad dat ik gelopen heb is het niet langer verrassend. In mijn jongere jaren had ik altijd een wat beklemmende vraag; waar sta ik over pak ‘m beet 5 jaar?  Hoe zal dat zijn? Die vraag gaf mij ongerustheid en onzekerheid. Wat wordt mijn rol in dit leven? En hoe vervul ik die? Maar antwoorden kwamen er niet. Gelukkig mocht ik opgroeien in een stabiele gezinssituatie. Voor mij (en mijn broers en zussen) was het helder; eerst maar eens een goed studieresultaat op de middelbare school en dan zien we verder. En als ik niet vanzelf wist wat ik daarvoor moest doen dan werd ik daar wel tijdens de avondmaaltijd aan herinnerd. Niet dat er een duidelijke richting vaststond over wat ik later zou gaan doen. Ja, als oudste zoon was het logisch dat ik zou gaan studeren. Zelf vulde ik dat verwachtingspatroon aan met de inschatting dat het op prijs gesteld zou worden als ik iets in de medische hoek zou gaan doen. Mijn beide ouders hadden een dergelijke achtergrond en de oudere zussen hadden ook al interesse in de gezondheidssector. Maar dat opleggen dat deden zij niet, dat deed ik vooral zelf. En ik vond dat eigenlijk geen goed idee en stelde de keus wat te gaan studeren maar uit. Ondertussen zoog ik al wat buiten ons straatje gebeurde op. Vanaf de middelbare school ging ik in concurrentie met mijn vader wie als eerste de krant van de dag te pakken had. Zijn levensritme was behoorlijk vast en ik moest eerder naar school dan hij naar zijn werk. Dus die quick win van de dag werd goedgemaakt door het zetten van het kopje thee.

En Vinden

Zo rond mijn 17e begon het langzaam te dagen. Het zou ook tijd worden. Open dag van de universiteit kwam eraan. Ik moest wat. En ja als de nood het hoogst is de keus nabij. Het was de eerste keer dat het bij mij inderdaad op zou gaan. Ik weet nog goed hoe mijn gedachten afdwaalden tijdens de biologieles van dhr Mohren. Hij behandelde de fotosynthese aan de hand van een aantal complexe schema’s en grafieken. Nou ja complex, dat viel voor mij wel mee. Maar om me heen kijkend zag ik dat velen moeite hadden om het te volgen. Eigenlijk wel mooi bedacht ik; dat je iets ingewikkelds zodanig kunt doorgronden dat je die kennis aan anderen kunt doorgeven. En ja de complexiteit van het biologische leven heb ik altijd bewonderd. Ik besefte toen niet dat ik een “eureka” momentje had. Maar ik wist toen wel dat ik biologie zou gaan studeren om daarmee het onderwijs in te gaan. Dát was mijn rol, ik had ze gevonden. Daarna een zorgvuldig moment gekozen om dat thuis te vertellen, ik  kreeg een volgende, vormende verbazing. “Als jij dat wil dan moest je dat maar gaan doen” kreeg ik als reactie. En zo gingen we kort daarna naar de open dag van de universiteit toe.

Biologie als kompas

Aan de universiteit van Nijmegen, destijds de KUN geheten, heb ik de studie gevolgd. Een betrekkelijk jonge universiteit. Vakmatig gesproken had dat een voordeel, minder aandacht voor de klassieke biologie (ecologie en paleontologie) maar meer aandacht voor de moleculaire- en microbiologie. De revolutie ontketend door Watson en Crick met hun DNA en RNA was duidelijk doorgedrongen tot het lesprogramma. In mijn geval ging de interesse toch vooral uit naar de fysiologie. Hoe werkt een levend organisme en kun je via b.v. vergelijkende anatomie snappen waarom we zo in elkaar zitten als we doen? En ja de appel is ook in mijn geval natuurlijk niet ver naast de boom gevallen. Als er toen een studierichting medische biologie geweest was had ik die willen volgen. Gaandeweg de studie kwam bij mij naar boven dat ik eigenlijk nog zo weinig wist. En dat mijn zoektocht naar “hoe zit het” eigenlijk nog maar pas begonnen was. Dus wat voor verhaal had ik eigenlijk te vertellen als ik het onderwijs in zou gaan. Tegen het eind van de studie zag ik een aardig alternatief. Ik zou als onderzoeker door kunnen gaan. En met de nodige mazzel vond ik aansluitend aan de studie een promotieplek. De fysiologie van vaatwandendotheel afkomstig uit humane navelstrengen zou gedurende 5 jaar mijn thema worden. De diepte in en zelf bijdragen aan de kennisontwikkeling. En zo bleef ik op pad om invulling te geven aan mijn behoefte om kennis te vergaren. De mogelijkheden om die kennis te delen kwamen later ook langszij.

Human Genome 

Midden in de jaren 80 werkte ik bij de directie wetenschapsbeleid van het ministerie van Onderwijs en W etenschappen.  Ik richtte me op kennisontwikkeling en toepassing in de medische wetenschap. Toegespitst op de humane biologie was op dat moment van grote betekenis de ontwikkeling van het zg. “Human Genome” project. Een zeer ambitieuze poging om de erfelijke code van het menselijke lichaam te ontrafelen. Dat zou een grote investering van vele wetenschappers vergen. Anno 1990 een investering van enkele miljarden en een onderzoekstijd van enkele jaren om één kopie van het menselijk genoom samen te stellen.In diermodellen werd al druk geëxperimenteerd met wat de gentherapie zou kunnen betekenen. Maar als we die code eenmaal zouden bezitten dan zou er in de sfeer van de behandeling van erfelijke aandoeningen nieuw perspectief geboden worden.En ja wat kun je als je de volgorde van de baseparen in het DNA goed kunt lezen? Die twijfel heeft ertoe geleid dat veel onderzoek gedaan is om dat in beeld brengen van het DNA sneller en gerichter te kunnen doen.  En met resultaat! Het heeft er ook toe geleid dat wetenschappers zelf indringende vragen zijn gaan stellen. Wat kun je met deze kennis op een verantwoorde wijze doen? En ja, zijn de methoden in het onderzoek wel ethisch te verantwoorden? Bijgaand artikel beschrijft wat het project in de periode van 20 jaar heeft opgeleverd. (https://bit.ly/3f318AH)

Waar kwam dat Covid Vaccin zo snel vandaan?

In 2020 zijn we voor het eerst geconfronteerd met het Covid 19 virus. De algemene verwachting was dat het geruime tijd zou gaan duren voordat er een vaccin ontwikkeld zou kunnen gaan worden. Dankzij de kennisontwikkeling met betrekking tot het Humaan genoom is die vaccinontwikkeling in minder dan een jaar voltooid. Dit is gebeurd door het messenger RNA molecuul dat codeert voor het zg spike eiwit van het Covid 19 virus te isoleren en via een vetbolletje (pfizer) of een geïnactiveerd adenovirus (Astra Zenica) in te brengen in het menselijk lichaam. Cellen in het lichaam die het mRNA hebben opgenomen  gaan vervolgens dat spike eiwit aanmaken. Het immuunsysteem raakt hierdoor geactiveerd omdat het spike eiwit als een lichaamsvreemde stof herkend wordt. En zo ontstaat immuniteit voor het covid virus. Het Covid 19 virus is een nieuw virus en behoort tot de groep van de zg corona virussen. Deze worden reeds geruime tijd onderzocht. Juist omdat deze groep van virussen reeds goed was onderzocht bekend was kon de vaccin ontwikkeling voor Covid 19 zo snel plaatsvinden. Met als gevolg dat feitelijk binnen een jaar nadat het virus geïsoleerd is de eerste vaccins op grote schaal getest konden worden.

Het onderzoek dat geleid heeft tot de ontwikkeling van mRNA vaccinatie strategieën is in 2019 bekroond met een nobelprijs. Het is een vakgebied waarin ik me nooit heb begeven dus het antwoord hoe het zo snel tot een vaccin gekomen is kan ik alleen vanuit een algemene biologische kennis beantwoorden. Maar ik kreeg hulp. Onlangs is een boek uitgekomen waarin de reis van de prijswinnares Jennifer Doudna beschreven wordt. Het geeft een beeld van een zeer competitieve wereld. Gelijk als ware het een detective worden de verschillende stappen beschreven en gedocumenteerd. De kracht van samenwerking straalt ervan af. Een voortdurende afwisseling tussen private en collectieve financiering van onderzoek. Je kan er ook uit aflezen dat het samenspel tussen de drive van de onderzoeker (waar is die zelf naar op zoek) en het maatschappelijk belang van de nagestreefde ontwikkeling uiteindelijk bepalend is voor snelheid van de ontwikkeling. In geval van Covid 19 is duidelijk dat de pandemie vraagt om een snelle en effectieve bestrijding. En een jaar later kunnen we vaststellen dat de hooggespannen verwachtingen overtroffen zijn. Er zijn wereldwijd vele verschillende vaccins ontwikkeld die hun effectiviteit bewezen hebben. Het wonder dat we nu kunnen meemaken dank zij de inspanningen vanuit de wetenschap valt niet iedereen op zo blijkt uit de recente bijdrage van Floor Rusman in de NRC.( https://bit.ly/3osySdK

De kracht van kennis

Het lezen van de reis van Doudna bracht me weer even terug naar de periode waarin ik als promovendus zelf onderzoek deed. Ik herkende de mechanismen. Medisch biologisch onderzoeksveld is in zijn algemeenheid zeer competitief en internationaal van karakter. Gelukkig weten we in Nederland daarin goed mee te komen. Ik vind het fascinerend om te zien hoe in een periode van 20 jaar onze kennis met sprongen vooruitgegaan is en wat we ermee hebben kunnen bereiken. Het geeft mij wederom bewondering voor het “construct” leven. En het onderstreept nog eens dat we eigenlijk naarmate we meer weten, moeten onderkennen dat we nog zo weinig weten.De kracht van kennis wordt zo weer eens geïllustreerd. Maar welke kennis hebben we nodig en hoe krijgen we die beschikbaar? Vanuit de tijd dat ik betrokken was in het wetenschapsbeleid weet ik dat we zowel kennisontwikkeling nodig hebben om het te willen weten (funderend), als kennisontwikkeling gericht op een duidelijke toepassing. De drive van de onderzoeker zelf maar ook de behoefte van de samenleving of de vraag vanuit de markt zijn dan belangrijke beïnvloeders. De Covid 19 pandemie laat zien dat de kennispositie niet langer iets lokaals is. Mondiale samenwerking van wetenschappers en onderzoek financiers heeft ertoe geleid dat betrekkelijk snel resultaten geboekt zijn. Weten wanneer je moet stimuleren en hoe dat het beste gaat, in die zin is er in de afgelopen decennia wel veel veranderd. En of we dat spel in Nederland goed weten te spelen is voer voor een ander blog.

Mijn dodenherdenking 2021, inkleuring van een familiegeschiedenis.

Dit jaar heeft de dodenherdenking wederom een bijzonder karakter. Meestal ga ik naar het monument bij de Martinuskerk. Daar bereidt de stichting Herdenking oorlogsslachtoffers Beek samen met de inwoners vanuit Beek (jong en oud) een stijlvolle plechtigheid. Het is goed stil te staan bij de betekenis van deze dag. Hoe hebben wij die vrijheid gekregen/verworven?

Nu de kinderen uit huis zijn ga ik daar alleen naar toe. Dit jaar is het in zoverre bijzonder dat er geen bijeenkomst georganiseerd kan worden. Covid 19 ligt dwars. Toch ga ik naar het monument toe. Ik ben niet alleen, er zijn nog drie anderen.

Zoals ieder jaar gaan de gedachten uit vooral naar mijn vader. Hij is er nooit open over geweest, dat gesprek hebben wij nooit met elkaar kunnen voeren. Maar ik weet dat zijn oorlogsperiode een bijzondere geweest is. Hij is uiteindelijk een jaar in Innsbruck terecht gekomen. Hoe dat precies zit heb ik nooit gesnapt. Van zijn generatie is er geen familielid meer aanwezig die ik dat kan vragen. Ieder jaar komt die vraag weer op. En ieder jaar loop ik na de herdenking er met een grote boog omheen. Behalve dit jaar.

Thuisgekomen zoek ik via internet de boeken van Lou de Jong op. Mijn vader heeft ze direct na het uitkomen gespeld. En na zijn overlijden kreeg ik ze in beheer. Maar ik wist eigenlijk niet hoe snel ik er van los moest komen. Dus nee nu al bladerend opzoeken is er niet bij. Gelukkig zijn ze inmiddels integraal op internet beschikbaar. En ja daar ben ik maar eens ingedoken.

Het is eind december 1942. Er is sprake van het moeten ondertekenen van een z.g. loyaliteitsverklaring door alle studenten aan de universiteiten. Pa studeert medicijnen in Utrecht. Hij is daar in 1938 begonnen. In 1942 zal hij zijn kandidaats gehad hebben en wellicht aan co-schappen bezig zijn. Zekerheid over die gegevens heb ik echter niet. Dus ja ook hij zal zo’n verklaring moeten ondertekenen. 

Wat houdt die loyaliteitsverklaring in? 

L.De Jong Het koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog Deel 6 pag 741

Om het eens huiselijk de stellen, daar is veel gedoe over geweest. De jong omschrijft dat. Minutieus. Pa studeerde zoals gezegd in Utrecht. De rector van die universiteit was nogal op de hand van de NSB en dus de Duitsers. Hij deed dan ook veel moeite om een dergelijke verklaring erdoor te krijgen. Dit ondanks verzet van studenten en hoogleraren. Uiteindelijk tekende het hoogste aantal studenten van Utrecht die verklaring; 14 %. Aantrekkelijk gemaakt door het gegeven dat een ondertekening recht gaf op inschrijving voor het volgende studiejaar. Niet ondertekenen zou direct aanleiding geven tot een oproep tot deelname aan de Arbeitseinzats in Duitsland. De Jong schrijft dat er nogal wat indirecte druk werd uitgeoefend op de studenten. Ook familie werd benaderd en zou de consequentie van het niet ondertekenen merken zo was de boodschap.

Het geheel speelt zich af in 1943 rondom april mei. Zoals De Jong meldt zijn er wel verschillen tussen de universiteiten merkbaar. De consequenties van het NIET tekenen van de loyaliteitsverklaring was een oproep tot de arbeitsinzet in Duitsland

L.De Jong Koninkrijk der Nederlanden Deel 6 pag 758

De groep die uiteindelijk in aanmerking kwam voor de inzet in Duitsland was groter zo blijkt uit het volgende citaat. Alle mannen tussen de 18 en 35 jaar moesten zich melden.

Pa is uiteindelijk in Innsbruck terecht gekomen. Hoe dat gegaan is, is mij onbekend wel weet ik dat hij daar als niet afgestudeerd arts werkzaam geweest is in een ziekenhuis.De Jong meldt daar  in een volgend boek deze passage aan:

L.De Jong Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog Deel 7 pag 579

Naar verluidt heeft hij daar een jaar doorgebracht. De Jong beschrijft dat een vakantie/verlofregeling een onderdeel van de Arbeitsinzet was. Per jaar kreeg met één hooguit twee weken vakantie. Of dat ook gold voor de inzet van mijn vader in Innsbruck weet ik niet. Na lezing van deze bijdrage wist mijn zuster Gonny het verhaal te vertellen dat zij van onze tante had vernomen.

“  Wat ik wel weet is dat hij even terug geweest is, te voet. Geheel op, baard, vuil en niet aanspreekbaar. Heeft in Doenrade op en neer in tuin gelopen, zwijgzaam. Zijn moeder bemerkte hem: laat lopen, niet storen, hij komt wel naar binnen. Eenmaal binnen, eten gegeven. Ging wassen. Maar oma , zijn moeder voelde t goed, laat hem zelf komen…. niet storen. Na enige tijd moest hij weer terug…. waarom toch? Als hij niet ging , werd n ander vermoord….. Zo erg. Wederom moesten ze hem laten gaan…..”Gonny Mulders-Willems Mei 2021

En hij is weer teruggegaan! Hoe en wanneer hij uiteindelijk teruggekeerd is bestaat geen duidelijkheid over. Feit is dat hij in Utrecht zijn geneeskundestudie heeft kunnen vervolgen. Hij heeft zijn artsexamen gedaan en via een stage in een huisartsenpraktijk uiteindelijk begonnen als bedrijfsgeneeskundige bij Staatsmijnen DSM.

Hendrik Josef Willems arts (Harry) 1920-1983

De periode in Innsbruck heeft diepe sporen bij hem nagelaten. Dat heb ik als kind wel kunnen bevroeden. Niet voor niets zijn de boeken van De Jong en alles daaromheen door hem verslonden. Als kind heb ik nooit de gelegenheid genomen of de moed gehad dat onderwerp aan de orde te stellen. Zo was de verhouding tussen vader en zoon destijds niet. Dat het een periode is geweest die diepe sporen heeft nagelaten kon ik ook wel merken uit de spaarzame opmerkingen die familieleden in de loop van de tijd daarover gemaakt hebben.

 Inmiddels is hij al bijna 38 jaar overleden, het beeld wordt vager. Maar dat stuk uit zijn levensgeschiedenis blijft intrigeren. Voor mijzelf heeft er daardoor altijd een geheimzinnig waas om gezeten. Hoe zat dat nou eigenlijk. Ik kon er niet mee overweg. En ja, ieder jaar bij de dodenherdenking kwam die gedachte weer naar boven. Dit jaar heb ik daar maar eens een vervolg aan gegeven. Ik ben begonnen met het gericht kijken in de boeken van Lou de Jong. Geheel lezen zal ik dat zeker niet. Het staat te ver van mij af. Met wat ik nu weet is toch een noodzakelijk detail ingekleurd van de persoon die mijn vader is geweest.

Ja ik ben niet verrast dat hij die loyaliteitsverklaring niet getekend heeft. En ook dat hij de consequentie genomen heeft en uiteindelijk in Innsbruck terecht gekomen is. En misschien houdt die ervaring van dat jaar in oorlogstijd ook een basis in waarom hij uiteindelijk bedrijfsgeneeskundige geworden is. Werkers in de mijnen ondergaan nogal eens een botbreuk. Maar of dat werkelijk zijn verhaal is zal ik nooit weten. En ja er resteren nog vele vragen die onbeantwoord zullen blijven. Ging hij inderdaad via Ommen naar Innsbruck? Dat hij daar gewerkt heeft is zeker. Een huisarts gevestigd te Boxtel heeft met hem in Innsbruck gezeten. En hoe is hij teruggekomen, weer gegaan en uiteindelijk weer in Utrecht met de studie kunnen beginnen. Wat heeft hij in Duitsland gezien in die periode? En zo kan ik doorgaan. Toch ben ik blij dat Lou de Jong me een stukje van die puzzel heeft aangereikt omdat ik de moed had ernaar op zoek te gaan.

Deze ervaring heb ik opgedaan tijdens en na de dodenherdenking 2021. Gelijk ieder jaar zoek ik dan de bijeenkomst in ons dorp op. Dat zegt mij veel meer dan het kijken naar de presentatie via de buis. Ik kan me geen voorstelling maken hoe het is om in onvrijheid te leven. Het verhaal van mijn vader laat me zien hoe broos vrijheid kan zijn. Het ene moment zit je als student in de collegebanken en het andere moment ben je gedwongen ingezet ergens in een vreemd land. En dat als gevolg van een door jezelf gemaakte keuze. Of was die afgedwongen door de boodschap dat je familie de schade zou ondervinden als je anders zou kiezen? Bizar, onvoorstelbaar. Maar het kan en mag niet weer gebeuren, zoveel is voor mij wel duidelijk. Alleen daarom is het de moeite waard om er jaarlijks bij stil te staan. Opdat ik, opdat wij niet vergeten wat vrijheid is.

Aanvulling d.d. 16 mei 2021

Na het plaatsen van deze blog heb ik langs verschillende kanten nog aanvullende gegevens ontvangen die op bovenstaand blog betrekking hebben.

Via de Utrechtse universiteit kreeg ik een kopie van de studiedata en resultaten van mijn vader aan die universiteit. De volledige inschrijvingsduur kunnen zij niet meer achterhalen. Ook de periode dat hij in Innsbruck is geweest valt er niet uit af te leiden. Maar de formele data geven het volgende beeld:

Hendrik Josef Willems: 

Start studie vermoedelijk in 1938 na behalen HBS-B diploma

Kandidaats deel 1: 4-10-1940, 

Kandidaats deel 2: 15-1-1943. 

Onderbreking studie door verblijf in Innsbruck mei 1943-XXX?

Doctoraal deel 1: 19-2-1946, 

Doctoraal deel 2: 26-6-1946 

Arts deel 1: 13-6-1947.

 Huisartsstage in de Betuwe “Wijk bij Duurstede” 

 Arts deel 2: 2-7-1948.  

Na het behalen van het artsexamen ging hij eerst als waarnemer bij een huisartspraktijk te Wijk bij Duurstede aan de slag. Vlak daarna stond hij op de nominatie om als huisarts te Geldermalsen verder te gaan. Echter op de dag van de beslissing hoorde hij van zijn verloofde (mijn moeder) dat er een positie vrij kwam als bedrijfsarts bij het StikstofBindingsBedrijf van de Staatsmijnen. Hij koos ervoor om daar aan de slag te gaan en trad in 1950 in dienst. In 1963 werd hij eerste bedrijfsarts bij de staatsmijn Maurits en in 1966 werd hij Directeur van de Gemeenschappelijke Medische Dienst van Staatsmijnen/DSM. Dit bleef hij tot aan zijn pensionering in 1980.

“Een onderbelicht verleden”

Dat mijn vader tijdens de oorlog actief geweest is in Innsbruck wordt ook van de kant van diverse familieleden bevestigd. Hoe dat precies is gegaan blijft onduidelijk. Gelijk anderen die een dergelijk traumatische periode meegemaakt hebben was hij er niet spraakzaam over. Maar hij was niet de enige student die een dergelijke ervaring heeft opgedaan. L.de Jong spreekt over ca 800 studenten (geneeskunde, farmacie en tandheelkunde) die via Ommen naar Duitsland gegaan zouden zijn. In een onderzoek gepubliceerd in 2001 van H.J.Dokter, F.Verhage en J.W.M.Binneveld Een onbelicht verleden; De tewerkstelling van medisch studenten in nazi-Duitsland (1943-1945) wordt op dit gegeven nader ingegaan. Zij komen tot een aantal van 340 medische studenten die naar Duitsland zijn gegaan. In hun onderzoek hebben zij in 1998 112 ex-studenten kunnen benaderen. Op basis van verdere demografische gegevens schatten zij dat op dat moment de totale groep uit zo’n 130 personen zou bestaan.  Van 107 hebben zij respons gekregen op een uitgebreide schriftelijke enquête. Deze was gericht op hun ervaringen voor tijdens en na hun verblijf in Duitsland. Aangezien mijn vader reeds in 1983 is overleden hebben de onderzoeksresultaten slechts indirecte betekenis. Ze geven ene beeld van hoe geneeskunde studenten in Duitsland zijn terechtgekomen. Naar alle waarschijnlijkheid gold dat ook zo voor hem.

Na terugkomst in Nederland in 1945 hebben veel van deze studenten hun studie weer kunnen hervatten. Niet alle! De onderzoekers beschrijven ook dat een aantal onderworpen werden aan de zuivering door de Universiteiten. Wat dat inhield voor studenten uit Utrecht wordt niet vermeld.

Decentralisatie Jeugdzorg een goed idee, tenminste als er knopen bij de kabinetsformatie worden doorgehakt.

Soms kun je aan een ontwikkeling niet ontkomen. Nee, ik schrijf nu niet over de kabinetsformatie. Ook heb ik het niet over de Koningsdag van deze week. Noch wil ik ingaan op het weer los gaan op de terrassen. Nee, als lokaal actieve politicus ben ik de afgelopen dagen getriggerd door enkele artikelen over de Jeugdzorg. Zowel NRC[1] en de Volkskrant[2] schrijven daar indringende artikelen over. En in het blad Binnenlands Bestuur is als het ware een feuilleton te lezen over de (financiering van) de jeugdzorg[3]. Gemeenten zijn vanaf 2015 verantwoordelijk voor de jeugdzorg. Dit als onderdeel van de zg 3D’s oftewel de decentralisaties van de WMO, de Participatiewet en de wet op de jeugdzorg. Van deze drie is de wet op de jeugdzorg de meest weerbarstige gebleken. Vandaar dat ik me deze week daarop richt. 

Ontwikkeling Jeugdzorg op lokaal niveau

Met de aansturing van de jeugdzorg op lokaal niveau is de zoveelste verandering in dit domein gekomen. Immers vlak voor 2015 zijn de Centra voor Jeugd en Gezin gevormd en op de een of andere manier moest dat weer ingepast worden in een nieuw te vormen structuur. De redenen voor de decentralisatie waren divers. Nationale en Provinciale beleidsbetrokkenheid werd overgeplaatst naar de gemeenten. Die konden – tenminste als ze zelf groter van omvang werden – beter in staat geacht worden een cliëntgerichtheid benadering uitvoeren. De nadruk op de eigen kracht van het cliëntsysteem die in het beleid verankerd werd maakte een efficiënter systeem mogelijk. Via een nieuw “objectief” rekenmodel werden dan ook vanaf het begin bezuinigingen door het rijk ingeboekt. Dat nieuwe rekenmodel hield geen rekening met de historisch gegroeide situatie. Voor mijn gemeente Beek, net als veel anderen in Zuid Limburg hield dat een fikse korting van het budget in.

jeugdzorg anno 2016 zoals weergegeven in het gemeentelijke beleidskader

Voor deze nieuwe complexe taak had de gemeente tot dan toe geen duidelijk ambtelijk apparaat opgesteld. Het allereerste beleidsplan werd opgesteld in samenwerking met de andere gemeenten in de regio Westelijke Mijnstreek. De complexiteit van de organisatie is goed te zien in onderstaand schema uit het beleidsplan Jeugdhulp 2015-2016. Dit leidde ertoe dat een geheel nieuwe infrastructuur opgebouwd moest worden waarmee een zorgvraag herkend en via ondersteuning beantwoord kon worden. Mensen en informatiesystemen moesten beschikbaar komen. Centraal aan het idee van het rijk was dat op lokaal niveau waar mogelijk de krachten gebundeld werden. Een kleine gemeente kon onmogelijk de inkoop organiseren. De 16 Z-L gemeenten deden dat samen via de centrumgemeente Maastricht. 

Grip vanuit de gemeenteraad

Meerwaarde van de nieuwe benadering zou gerealiseerd worden als vanaf het begin integraal werd gehandeld. Onder de noemer 1Gezin 1Plan 1Regie zouden de vele noodzakelijke activiteiten op cliëntniveau met elkaar kunnen worden verbonden. Die integratieve benadering maakt een betere dienstverlening mogelijk. Om dat vanuit de startsituatie te bereiken is allereerst een transitie naar de nieuwe structuur nodig. Hoe bereik je continuïteit van zorg is dan de vraag. Zo snel mogelijk gevolgd door een transformatie naar een nieuwe manier van werken volgens de genoemde integrale benadering. Dat traject begeleiden vanuit de raad van een kleine gemeente is eigenlijk niet te doen. De eerste jaren heeft het simpelweg ontbroken aan de benodigde stuurinformatie. De klap kwam iedere keer bij het vaststellen van het tekort in de jaarrekening. Ondertussen was duidelijk dat er veel inzet geleverd werd (moest worden) aan het opbouwen van een infrastructuur nodig om de regie te kunnen voeren. Wijkteams zijn ingericht. Echte voortgang werd maar langzaam bereikt. De politieke inzet van mijn fractie was gericht op het bouwen van een samenwerking tussen professionals en gemeente; rekening houdend met de aanwezige deskundigheid. Onderliggend doel daarbij was dat zo ook de zorgorganisaties medeverantwoordelijk worden gemaakt voor het realiseren van een transformatie in de zorgverlening. Zij hebben immers de deskundigheid om in te schatten hoe betere dienstverlening – rekening houdend met de doelen van de noodzakelijke transformatie – gerealiseerd kunnen worden. Echter de gemeente – in samenwerking met de regio koos ervoor om eerst de aandacht te schenken aan het opbouwen van een interne organisatie. Ondertussen loopt de dienstverlening door. Tot het jaar 2019 werd bij het opstellen van de gemeentebegroting uitgegaan van de te lage cijfers vanuit de rijksvergoeding. Dat resulteerde keer op keer tot tekorten. Pas met de begroting van 2019  werd begonnen met het begroten van de werkelijk gemaakte kosten in het voorafgaande jaar


Reikwijdte van de lokale aansturing

De start van de decentralisatie markeert ook de ontwikkeling van een groter beroep op de jeugdzorg. De redenen daarachter zijn divers. Door de transitie ontstaat een andere, geringere vorm van sturing, de uitvoeringskosten nemen toe, door een versnippering aan de kant van de aanbiedende partijen ontstaat inefficiëntie maar wellicht is nog de belangrijkste reden dat een toenemend aantal jongeren ondersteuning nodig heeft en die in eigen kring (gezin, buurt) niet kan krijgen. Met de kostenstijging die daar het gevolg van is houdt het rijk geen rekening. 

Zoals te verwachten is de Beekse situatie niet uniek. Alle gemeenten hebben moeite om deze overgang goed in te richten. De budgettaire problemen blijven vragen oproepen over de reikwijdte van de Jeugdwet. Regelmatige publicaties over b.v. de jeugd GGZ (24 uurs opvang) geven voeding aan de gedachten om met name de intensieve jeugdzorg anders te organiseren. Vandaar dat in samenwerking met de Vereniging Nederlandse Gemeenten naar oplossingen gezocht wordt. In een advies van de Expertgroep Reikwijdte Jeugdhulpplicht “de kracht van wijd reiken” van sept 2020 wordt een analyse gegeven van de huidige stand van zaken.[1] Het uitgangspunt voor de vorming van de jeugdwet wordt daar nog eens nadrukkelijk onderschreven. Aanpassing in de reikwijdte is niet nodig. Wel wordt het noodzakelijk geacht dat nu geïnvesteerd wordt in de transformatie tot een echt cliëntgerichte benadering. Het advies wordt omarmd en geeft aanleiding voor de VNG een Norm voor Opdrachtgeverschap Jeugd voor gemeente en regio op te stellen.

advies van Expertiseteam Reikwijdte jeugdhulpplicht; Commissie Sint 2020

Ontwikkelen inkoop vanaf 2022

De ervaringen met de jeugdzorg hebben aanleiding gegeven tot een beleidskader 2019-2022 op te stellen. Daarin staat niet alleen hoe de inkoopproblematiek goed geregeld kan worden maar ook hoe de transformatie van de jeugdzorg naar een nieuwe werkwijze vormgegeven kan worden. In het webinar dat ik net als alle andere raadsleden uit de 16 deelnemende gemeente mocht volgen stond de uitwerking van dit beleidskader centraal. Ingaande 2022 zullen met de dienstverlenende organisaties nieuwe contracten worden afgesloten. Bij de voorbereiding daarvan is dan terecht veel aandacht voor de kaders die door het NvO advies worden gegeven. De aanbestedingsprocedure die zo wordt voorbereid heeft naast een financiële doelstelling ook als doel om te komen tot minder contractpartners. Nu zijn zo’n 200 grotere en kleinere organisaties (waaronder veel ZZP’ers) actief. Beheerstechnisch maakt dat het tot een lastig geheel. 

Norm voor opdrachtgeverschap Zuid-Limburg 2020

Tijdens het webinar blijkt dat er nog heel veel energie gestoken moet worden in het ontwikkelen van een goed monitoringssysteem. Daarnaast staat overeind dat een aanzienlijk deel van de toestroom tot de jeugdzorg niet rechtstreeks via de ingestelde wijkteams verloopt maar dan de huisartsen verantwoordelijk zijn voor een belangrijk deel daarvan. Met de detachering van Praktijkondersteuners jeugdzorg bij de huisartspraktijk is een begin gemaakt met de samenwerking maar er zal nadrukkelijk meer moeten gebeuren.

Ook het betrekken van andere personen en organisaties die zicht hebben op de ontwikkeling van de jeugd bij de activiteiten van de jeugdzorgteams behoeft nadrukkelijke aandacht.  School, ggd, maatschappelijk werk, (sport-)verenigingen kunnen in het kader van preventie met eenvoudige middelen veel bereiken en daardoor toekomstige intensievere zorgvormen voorkomen. 

Aanbesteden en transformeren gaat dat samen?

Voor een aanbestedingsprocedure die nu echt werk moet maken van het ondersteunen van de transformatie duurt het mijns inziens wel erg lang voordat de verbinding met deze sektoren gemaakt wordt. Veel logischer zou het volgens mij zijn als ook in deze fase een intensief contact gelegd wordt met de professionals en de maatschappelijke organisaties om nu reeds inzicht te krijgen in de wijze waarop zij mede kunnen inzetten op de beoogde transformatiedoelen. Om het eens heel plat te zeggen, de nadruk op de inkoopcondities is terecht als je heel scherp hebt wat je wil hebben. Maar dat vereist wel dat je inzicht hebt in hoe die nieuwe producten tot stand kunnen komen. Met andere woorden, Als je innovatie wil hebben zal de ontwikkeling daarvan toch in nauw overleg zorg/dienstverleners moeten regelen. 

Maar misschien is het nog ingewikkelder. We hebben kunnen constateren dat een verschuiving heeft plaatsgevonden van de intramurale zorgvormen naar de ambulante dienstverlening. Daaraan gekoppeld een proces van vergroting van de diversiteit van de soorten hulp die geboden wordt. Maar is dat wel een terechte tendens. Van allerlei vragen die spelen bij de ontwikkeling van jongeren een zorgvraag te maken die aangevat wordt via inzet van professionals, is dat wel een terechte ontwikkeling? Ingegeven door een langdurige tendens in de Nederlandse samenleving gericht op individualisering. Is het idee achter de decentralisatie van het jeugdbeleid naar een lokale overheid toe niet de meest wenselijke stap om een duurzame ontwikkeling van onze jongeren te borgen. Indachtig het oude Afrikaans gezegde: It takes a village to raise a child. Als dat nog steeds opgaat zal de inkoopstrategie niet alleen gericht moeten zijn op een beter beheer van de middelen maar ook zich dienen te richten op de effectieve inzet ervan. En dat kan niet zonder directe betrokkenheid van de personen en organisaties die die nieuwe werkwijze moeten uitvoeren. 


Naar een houdbaar financieel kader?

De financiële en organisatorische problemen van de jeugdzorg zijn nog lange niet opgelost. De meest schrijnende gevallen doen zich daarbij voor in de sfeer van de jeugd GGZ (zie artikel NRC/Volkskrant). Het financiële probleem wordt al langer aangekaart. Nu het kabinet demissionair is durft het de echte knoop niet door te hakken. Tot op dit moment is er discussie tussen gemeenten en het rijk over de vergoeding. Alle gemeenten tezamen genomen komen op jaarbasis ca 1,6-1,7 miljard € tekort. Het huidige demissionaire kabinet is bereid tot 660 miljoen € te compenseren voor 2021!  Een structurele oplossing is tot onderdeel van de kabinetsformatie gemaakt. De discussie over de reikwijdte speelt dan opnieuw. Een recent advies van de stuurgroep Sint “Maatregelen financiële beheersbaarheid Jeugdwet” ingesteld door Rijk en VNG schetst daar een aantal fundamentele keuzen[1]. Naast de constatering van een grote diversiteit in de kosten die gemeenten per jongere maken en de beperkte sturing op de kwaliteit van zorg wordt ook de afbakening tussen de reikwijdte van de jeugdwet en de beleidsvrijheid van gemeenten aan de orde gesteld. Een aantal scenario’s wordt geschetst. In ieder geval dient gekeken te worden naar de medische verwijsroute. Willen de gemeenten hun (budgettaire) verantwoordelijkheid waar kunnen maken dan zal hier een bijstelling in nodig zijn. 

Ten aanzien van de specialistische jeugdhulp en of de jeugd-GGZ is het mogelijk om te bezien of dat niet beter op regionaal of zelfs landelijk niveau belegd kan worden. Deze gelukkig beperkter voorkomende zorgvormen zijn zodanig specialistisch dat het zeker voor kleinere gemeenten enkel een niet te dragen kostenpost is die zij niet kunnen beïnvloeden


beleidskader jeugdhulp zuid-limburg 2019-2022

De wet gaat nu uit van een jeugdhulpplicht gelegd bij de gemeente. Dit volhouden met een open-eind financiering lijkt me niet te doen. Indien er onvoldoende geld bij kan komen resten er enkele opties; de gemeente is enkel uitvoerder binnen de door het rijk gestelde financiële kaders of zij moet in staat gesteld worden om prioriteiten te stellen. Dat laatste leidt ontegenzeggelijk tot een verschil in de uitvoering van de jeugdwet op regionaal niveau. Maar is dat niet een logische consequentie van een gedecentraliseerde wetsuitvoering? Biedt dat niet de mogelijkheden om inderdaad gericht in te spelen op de lokale maatschappelijke infrastructuur.

Hoe nu verder?

Die lokale ambities geformuleerd vanuit het perspectief van de jeugdige zelf vormen terecht het uitgangspunt van het nu in uitvoering zijnde jeugdhulpkader voor de gemeenten van Zuid-Limburg. Zie ook het beeld aan het   beleidskader is gekoppeld.  Zo eenvoudig ook zo in het algemeen is geformuleerd, zo lastig is het ook te realiseren, dat hebben de afgelopen jaren sleutelen aan de uitvoeringspraktijk laten zien.

Voor mij is het inmiddels wel duidelijk. Het domein Jeugdhulp zal nog wel de nodige aandacht vragen de komende jaren. Drie zaken kunnen wat mij betreft beter geregeld worden; a) breng eenheid in de toegangsroute op lokaal niveau zodat duidelijk zicht ontstaat op het totaal, daarvoor zal wetswijziging nodig zijn. b) maak werk van een beheer functie die tevens zicht heeft op de kwaliteit. Daarbij kan een onderscheid tussen lokaal niveau en regionaal niveau (complexe zorg en jeugd GGZ) nodig zijn. c) los het structurele financiële knelpunt op.  Ik hoop dat bij de kabinetsformatie van 2021 noodzakelijke keuzen gemaakt kunnen worden zodat in de periode 2022-2026 op gemeentelijk niveau werk gemaakt kan worden van een goede integraal afgestemde jeugdzorg. Want ook in Beek (en andere gemeenten) geldt: it takes a village to raise a child.

[1] Stuurgroep Maatregelen Financiële beheersbaarheid jeugdwet. 20210408  

[1] De kracht van wijd reiken. Advies van VNG Expertiseteam Reikwijdte jeugdhulpplicht. VNG Sept 2020

[1] https://www.nrc.nl/nieuws/2021/04/23/hoe-marieke-en-haar-zoons-niet-door-jeugdzorg-werden-geholpen-a4040900#/handelsblad/2021/04/24/%23101

[2] Charlotte Huisman. De Volkskrant 20210427 In de jeugdzorg schiet de hulp die het hardst nodig is tekort

[3] Yolanda de Koster Binnenlands Bestuur: 20210415 Wrang en beschamend, 20210420 Meerderheid gemeenten past “boekhoudtruc” jeugd toe, 20210422 Gemeenten krijgen ruim 600 miljoen extra voor jeugd, 20210423 Nieuw kabinet moet reikwijdte jeugdwet bepalen. 

En nu door…. Met vaccineren en de klimaataanpak

Wat het zwaarste weegt dient de meeste aandacht te krijgen. En daarom begin ik deze bijdrage maar weer met het Corona gerelateerde nieuws. Want het is weer eens zover. Ik kon de persconferentie niet zien. Maar de aankondigingen in de dagen vooraf wel. Er zou versoepeld gaan worden geheel conform het stappenplan. Tenminste het plan was dit te doen zodra alle maatgevende cijfers de goede kant uit gaan.  Maar dat doen ze helaas niet. En toch streeft het kabinet naar een versoepeling. Gebaseerd op het inmiddels ruimschoots aanwezige wantrouwen is het niet vreemd dat er een machinerie op gang kwam om het kabinet op tijd van gedachten te laten veranderen. Het OMT had in het weekend een negatief advies uitgebracht. En toch wilde het kabinet gaan versoepelen? Met als gevolg dat de IC-arts Gommers gebruik maakte van zijn inmiddels verworven mediastatuur. Hij wilde het niet meemaken, versoepelen als de data nog geen overtuigende daling laat zien. Zijn geluid werd ondersteund vanuit de Ziekenhuizen; in mijn regio Zuyderland voorop, dat sprak van een zwart scenario waarin essentiële zorg niet langer geleverd kon worden.  Ook de vakbonden hieven hun stem. Inmiddels was er ook een experiment (fieldlab) in Breda gepland. Komende zaterdag zouden 10.000 mensen van een door radio 538 georganiseerd muzikaal optreden kunnen gaan genieten. Onder grote belangstelling waren de kaartjes snel weg. Maar evenzo snel groeide de groep tegenstanders aan. De burgemeester van Breda kon niet anders dan het evenement uit veiligheidsoverwegingen afblazen.  Maar het kabinet was niet te vermurwen. Ja er zou risico genomen worden. En ja als je goed naar de cijfers van het OMT kijkt dan blijkt dat de daling er toch zit aan te komen. Dus ja de eerste stap van de versoepeling zal inderdaad op 28 april gezet gaan worden. 

Een belangrijke reden voor de durf van het kabinet is gelegen in het vaccinatieproces. Dat begint langzaamaan op stoom te komen. Zelf heb ik een uitnodiging gekregen om mijn eerste prik op 28 april te gaan halen. De hoeveelheid beschikbare vaccins neemt toe. Dus een versnelling van het prikken is mogelijk. Daar komt nog bij dat inmiddels de EMA ook een advies heeft gegeven. Vooral doorgaan met het “Janssen” vaccin. Nederland heeft er veel van besteld en daar is maar één prik van nodig. Zo zouden we het verschil kunnen gaan maken. Vasthouden aan de primaire beschermingsmaatregelen en vooral veel prikken zetten. Kortom, naar analogie van Mathijs van Nieuwkerk zeg ik “ en nu doorrrr”.

Een van de wat ik noem positieve aspecten van de coronapandemie is de daling van de COuitstoot. Die werd natuurlijk veroorzaakt door het gegeven dat we, onder indruk van de gevolgen van deze ziekte, zoveel mogelijk thuis zijn gebleven. Een behoorlijke afname van de mobiliteit (auto en trein en vliegen). Vandaag trof ik dit bericht in mijn krant aan:

Een prachtige dip in 2020 zowel op het niveau van kolen, olie en gas geïndiceerde CO2-emissie. Maar de verwachting voor 2021 laat een forse correctie zien!

Sommigen onder ons, en ik hoor daar ook bij, dachten dat het een goed moment zou zijn om eens te reflecteren op ons maatschappelijk en economisch beleid. Dit zou het moment zijn om de koers een bij te stellen en zuiniger om te gaan met grondstoffen, CO2-emissies structureel te verminderen. Maar als je deze voorspelling ziet hebben we dat momentum aardig verloren. Of zijn er nog mogelijkheden om dit traject positief te beïnvloeden?

Dit weekend werd ik nog eens aardig met de neus op de feiten gedrukt. Ik kreeg het boekje van Ramsey Nasr in handen. Daarin de drie columns die hij tijdens de coronaperiode geschreven heeft. Refererend aan “On the Origin of Species” van Charles Darwin geeft hij aan dat onze aanwezigheid op deze planeet volstrekt toevallig is. Ook dat het leven hier geen zin heeft, geen doel kent en geen eindpunt kent. Maar dat in lijn met Darwin’s theorie de essentie van het leven is dat het goed wordt doorgegeven. Als bioloog kan ik die redenatie volstrekt onderschrijven en vormt ze leidraad tot handelen.

Kijk je door die bril dan moet je toch constateren dat we volstrekt verkeerd bezig zijn. De huidige pandemie is heel goed te verbinden met de klimaatontwikkelingen van nu. Beiden kondigen een einde aan ons aards bestaan aan.  We kunnen wel proberen om met behulp van kennis, technologie en nog meer grondstoffen het tij te keren maar dat zal als we op de huidige manier doorgaan uiteindelijk niet lukken. Beter is dat we deze periode gebruiken als een kans om gerichter tegen deze bedreigingen in te gaan. Dat zal ingrijpend zijn. Niet alleen preventie doorzetten opdat we een volgende pandemie tijdig kunnen weerstaan. Ook ons consumptiepatroon aanpassen zodat we zorgvuldiger omgaan met de ruimte en grondstoffen en dat we een evenwichtiger verdeling over de verschillende bewonersgroepen van deze planeet organiseren. En ja dat we als de donder werk maken van de structurele vermindering van de CO2 uitstoot die we met elkaar organiseren. 

In dat verband staat er ook een bemoedigend bericht in de krant. Op Europees niveau heeft Frans Timmermans voor elkaar gekregen dat de ambitie van de Europese klimaatwet een verbetering in de goede richting gaat. In 2030 gaan 40% reductie van de CO2 uitstoot maar 55%. Ik zou zeggen: En nu door…!

In Nederland is er na een tumultueus verlopen begin van de formatie nu een periode van betrekkelijke radiostilte aangebroken. Achter de schermen is Herman Tjeenk Willink bezig zijn rol als formateur op te pakken. Hij schijnt te werken aan een soort hoofdpuntenlijstje dat de kern zou kunnen gaan vormen van een (kort?) regeerakkoord. Of dat gaat lukken hangt natuurlijk af van de bereidheid van de politici om een akkoord op hoofdlijnen te kunnen vaststellen. De Nederlandse regering is in het nabije verleden door gerechtelijke uitspraken stevig gecorrigeerd op haar klimaatbeleid. Dat geldt ook voor enkele grote bedrijven. Ik mag toch hopen dat voldoende partijen nu de urgentie onderschrijven dat het klimaatbeleid scherper dient te worden aangezet. De verkiezingsuitslag kan toch ook worden geïnterpreteerd als: sterke vermindering CO2-emissie, meer bouwen, pak de kansen van de energietransitie. Ook hierbij geldt niet langer gedraald en getwijfeld. Oftewel: en nu doorrrr!

En nu doorrr…!”?  Nou nee, nu even niet. Nieuwe onthulling van RTL-nieuws uit geheime kabinetsnotulen over de afhandeling van de kindertoeslagaffaire gooit zand in de raderen. Met als gevolg dat de vertrouwenscrisis onder de politici nog lang niet voorbij is. Na de val van Rutte III is de verkiezingsperiode niet gebruikt om louterend te werken en zo het noodzakelijke onderlinge vertrouwen weer te schragen. De versnippering in de huidige tweede kamer helpt daarbij niet, sterker nog zij ontneemt het uitzicht op een daadkrachtig bestuur. En langer dralen is het laatste wat we nu nodig hebben. Ben benieuwd of Herman T W aan deze politieke surplace een eind weet te maken. Want zoals hierboven aangegeven we moeten doorrr…..!

Verbroken verbinding burger — overheid.

In deze dagen kan ik er eigenlijk niet omheen. Als maatschappelijk actieve burger die op lokaal niveau politiek actief is voel je dagelijks dat er iets niet klopt. In de relatie tussen burger en overheid. Mij boeit dan vooral de analyse hoe we in deze situatie terecht gekomen zijn en liefst ook nog hoe van hier verder kunnen gaan. En vanuit mijn interesse lukt het om dat op drie niveaus te bespreken; Landelijk, provinciaal en gemeentelijkdoor Nederland. 

Landelijk

De verbroken verbinding zoals in de titel van dit blog gemeld is op nationaal niveau goed te zien aan het resultaat van de tweede kamer verkiezingen. Inmiddels hebben we daarin 17 partijen vertegenwoordigd, waarvan slechts 6 met een fractie van 9 of meer leden.

Met een fractie van een zo beperkte omvang is het niet mogelijk om je goed te verdiepen in de ontwikkeling van het beleid en de formulering van goede wetten.  De paar debatten die na deze verkiezing zijn gehouden laten zien dat de gedachtenuitwisseling ook niet goed verloopt. Een sterk versnipperde discussie ontstaat. In zichzelf leidt dat ertoe dat de macht van de zittende coalitie groter wordt. En als je dan ook nog een coalitieakkoord hebt dat werkt als een strak keurslijf dan heb je alle ingrediënten die ervoor zorgen dat die verbroken verbinding in stand blijft.En aan de commotie rondom het Coronabeleid kunnen we zien dat het draagvlak voor de gemaakte beleidskeuzen verder afneemt. Speerpunt in de bestrijding van de Corona Pandemie is de gezondheidzorg. Maar vanwege de effecten op economisch en maatschappelijk gebied is er een toenemende behoefte aan een verbijzondering van het beleid. En zoals dat in de Nederlandse consensus gedreven samenleving gaat leidt dat tot een verhoging van lobbyactiviteiten door een groot scala aan belangengroepen. Dat was eigenlijk altijd al het geval maar nu, in een tijd waarin iedereen toegang heeft tot de media, gebeurd het lobbyen openlijk. Een beetje actiegroep, of het nou professionals in de zorg zijn of een spontane verzameling boeren of een groepering moeders of vul zelf maar in, weet al gauw nationale belangstelling op te roepen via de (sociale) media. En als je dan in een periode leeft waarin ook nog eens landelijke verkiezingen zijn dan heb je alle ingrediënten te pakken voor een niet te stoppen kakofonie van meningen. En ja zoals we nu kunnen constateren gaat dat – na een verkiezingsuitslag- gewoon door. 

Provincie Limburg

Ook op provinciaal niveau is het verschijnsel van een verbroken verbinding waar te nemen. Ik woon in de provincie Limburg en daar maken we nu een heftige crisis in de politiek mee. Op basis van wat is gaan heten de “IKL-Affaire,” blootgelegd door journalisten van de NRC. Het gaat in het kort over een oud-gedeputeerde die in zijn nieuwe hoedanigheid via zijn partijgenoten op onduidelijke wijze veel opdrachten kreeg toegeschoven. Met als gevolg het aftreden van twee gedeputeerden van CDA huize. In de daaropvolgende discussies met als doel “hoe heeft dat allemaal kunnen gebeuren” zijn vervolgens de overige gedeputeerden opgestapt. Zij meenden een zodanig gebrek aan vertrouwen te mogen vaststellen zodat zij niet verder konden gaan. Als klap op de vuurpijl nam vervolgens de gouverneur het besluit om zijn ontslag in te dienen. Immers hij is verantwoordelijk voor het gevoerde integriteitsbeleid en de mate van twijfel die daaraan gesteld werd was net iets te veel. De leden van provinciale staten maakten een zwaar punt van het thema “Transparantie van beleid”. Ondanks de vele vertrouwelijk in te zien stukken (25 ordners) en de op de vooravond van het debat ingeleverde 52 pagina’s met beantwoording van vragen kreeg men onvoldoende helder wat er feitelijk gebeurd was. Nou speelt nog mee dat het college een zg “extraparlementair” college was. Dat wil zeggen de statenfracties waren er niet aan gebonden er was enkel een collegeakkoord en de collegeleden zijn aangezocht als beleidsdeskundige. De zo nagestreefde onafhankelijkheid zou betere condities voor een goed beleid voor Limburg creëren. Het achterliggend motief voor een dergelijke benadering heeft veel te maken met wat in 2013 beschreven is als “de vriendenrepubliek”. 

Het Limburgse provinciale bestuur wordt daarin beschreven als een “ons kent ons” verzameling van betrokkenen die elkaar -via opdrachten- de bal toespelen. Het streven naar een grotere bestuurlijke integriteit gekoppeld aan een toegenomen transparantie was aanleiding tot de vorming in 2018 van een extraparlementair college. Dat cultuurveranderingen gaan langzaam blijkt wel uit deze recente ontwikkeling. De breuk met het college is nog vers. De gouverneur heeft gezegd dat hij uit oogpunt van continuïteit van bestuur nog maximaal een half jaar aanblijft. Maar de vorming van een nieuw college moet nog geïnitieerd worden. Het vertrouwen van de Limburgse burger in haar regionale overheid was al niet groot. Dat herwinnen is nu een nog grotere tour du force geworden.

Gemeente Beek (lb)

Het derde niveau waarin de relatie burger -overheid centraal staat is de gemeente. Als fungerend raadslid vanuit een lokale politieke groepering (Progressief Beek) maak ik dit geruime tijd mee. Ik zit nu in het 14e jaar. Best lang eigenlijk. En ik heb dan ook meerdere burgemeesters zien langskomen (3 benoemde en twee interim), twee samenwerkingscolleges waarvan een met betrokkenheid vanuit mijn eigen partij en een als lid van de “oppositie”, en uiteraard een groot aantal college en raadsleden. 

De Bestuurscultuur in Beek is in die periode ook veranderd. Beek is een kleine gemeente met ca 16000 inwoners met een deels stedelijke en deels landelijke karakteristiek. Maar bovenal is het te typeren als een behoudend / conservatief dorp. Dat merk je ook in de opstelling van het bestuur. Vernieuwingen worden uiteindelijk wel doorgevoerd maar het duurt best lang. Voor steeds meer zaken wordt het belangrijk om in samenwerking met anderen de beleidsontwikkeling te doen. Voor de bestuurders leidt dat ertoe dat veel initiatieven eerst moeten worden afgestemd met collega’s van andere gemeenten alvorens men zelf met beleid naar de Raad toekomt. Deels begrijpelijk maar deels ook moeilijk te verantwoorden. Bij de vorming van de huidige coalitie heeft men geprobeerd een raadsbreed gedragen akkoord vast te stellen. Dat is niet gelukt omdat de fundamentele discussies die daarvoor nodig zijn uit de weg gegaan worden. Die hadden te maken met onderwerpen als: hoe betrek je zorgprofessionals bij de beleidsontwikkeling in het sociaal domein, of: welk beleid voer je ten aanzien van de regionale luchthaven MAA die grotendeels in het gebied van de gemeente ligt. De laatste jaren leiden discussies in de raad – als ze al gevoerd kunnen worden – niet tot een open gedachtewisseling maar wordt het frame “coalitie – oppositie” feitelijk in stand gehouden. In dat verband heb ik meerdere malen dankbaar gebruik gemaakt van de inzichten van Herman Tjeenk Willink zoals die ze in het boekje “groter denken kleiner doen” heeft opgeschreven; “in een vertegenwoordigende democratie is het open politieke debat in de volksvertegenwoordiging, met argumenten en tegenargumenten, belangrijk. Het draagt bij aan de vorming van de publieke opinie en maakt de uitkomst van het debat aanvaardbaar, ook voor degenen die die uitkomst betreuren “kortom er is serieus naar gekeken”. Maar dan moet het debat wel gevoerd kunnen worden.


H.Tjeenk Willink “Groter denken kleiner doen” Prometheus 2018 pag 31

Gemeenschappelijke kenmerken?

Op alle niveau’s zoals hierboven beschreven speelt de toegenomen complexiteit. Of het nou komt door de bevolkingsgroei (een land met 17 miljoen mensen op een kluitje), de druk op het gebruik van de ruimte, de hogere informatie-uitwisseling, de opkomst van sociale media het draagt allemaal bij tot het ingewikkelder worden van beleidsontwikkeling en -uitvoering.

In de voorbereiding van het beleid maar ook in de uitvoering wordt ongelofelijk veel gewerkt met communicatie strategieën. Het aantal overlegtafels waar ik beroepshalve als kenniswerker aan het deelgenomen heb ik niet bijgehouden maar het waren er vele. Soms met een duidelijke vertaling naar het beleid maar veelal was het resultaat niet echt herkenbaar in de gemaakte beleidskeuzen. En ook bij de uitvoering van het vastgestelde beleid (op welk van de drie hierboven genoemde niveau’s dan ook) gaat het gewoon door met symposia, werkbijeenkomsten, folders, youtube filmpjes en wat dies meer zij om het beleid aan de mens te brengen. Geen wonder dat er een markt is voor communicatieopleidingen. Maar of het echt helpt om draagvlak voor de gemaakte keuzen te verwerven dat valt te betwijfelen.  Met zoveel argumenten moet rekening gehouden worden, al dan niet gesignaleerd door een actiegroep, dat het niet verrassend is dat de bestuurders er niet echt uitkomen. Men hoort het aan maar luistert niet. De reflex van die bestuurders dat men meer in stilte gaat werken, noem het de achterkamertjes. En dat een ondoorgrondelijk construct van regels wordt opgesteld om de handelwijze te verantwoorden. Dat is wat er nu te constateren valt.

Nu is de bom op landelijk niveau gebarsten. Het zinnetje “Pieter Omtzigt, functie elders” was de druppel die de emmer deed overlopen. Op provinciaal niveau de constatering dat een ex-gedeputeerde via een nog niet doorgrond web van stichtingen, zijn eigen inkomen opplust. In beide gevallen is de reactie een roep om maximale transparantie. De onderste steen moet boven. En ja bij de zoektocht naar die onderste steen kom je veel tegen. En nu maar hopen dat de juiste gevolgtrekking genomen wordt.

Hoe nu verbinding herstellen?

Persoonlijk vind ik het heel terecht dat op landelijk niveau een tussenstop gemaakt wordt via een informatiestap met Herman Tjeenk Willink. Ja hij loopt al wat langer rond. En hij heeft het al vaker gezegd. Maar misschien zijn we nu beter in staat om te horen wat hij over de rol van de politiek heeft gezegd. Een paar citaten uit zijn vlugschrift Groter Denken Kleiner Doen.

“ in het politieke gaat het om de visie op de maatschappij”, “het verdelen en toedelen van waarden hoort bij uitstek onderdeel te zijn van het politieke debat” , “burgers, uitvoerders en rechters dragen bij aan het politieke”  en tenslotte ”Alleen door rekening te houden met de werkelijkheid waarin burgers hun initiatieven ontplooien, uitvoerders hun werk verrichten en rechters tot een uitspraak komen zijn politici in staat hun eigen, zelfstandige functie te hervinden

Als ik dit zo zie en loslaat op het gedrag van politici op de verschillende niveau’s dan constateer ik toch een groot verschil tussen het huidige “Ist” en het door HTW geformuleerde “Soll”. Dan is de roep om een nieuwe bestuurscultuur zoals die inmiddels door velen onderschreven wordt bepaald niet onlogisch. Maar wat in 40 jaar ontstaan is verander je niet in het oogwenk van een formatie. Zeker ook niet als niet begrepen wordt dat die andere cultuur een andere vorm van leiderschap vraagt. 

Ik prijs mijzelf gelukkig dat ik noch mijn verwanten direct slachtoffer van het handelen van de huidige overheid geworden ben. Het gevolg van meer geluk dan wijsheid. Het stelt mij in staat om met enige verwondering te blijven kijken naar wat er gaande is. En in mijn rol als lokaal politicus met een toenemend ongeduld te zoeken naar de hefbomen die de noodzakelijke verandering mogelijk gaan maken. De verbroken verbinding weer herstellen.  Luisteren naar de burgers van Beek is dan het eerste wat me te doen staat. Een richtinggevend perspectief voor de nabije toekomst dient daar het gevolg van te worden. En dan opnieuw aan de slag.

En voor de het niveau van provincie en rijk blijf ik toch maar de zich verbazende toeschouwer die met belangstelling de ontwikkelingen volgen zal. Ik vermoed dat ik nog genoeg aanleidingen zal vinden om volgende blogbijdragen te gaan schrijven. 

Het trage vaccinatietempo van NL

Er schijnt het nodige aan de hand te zijn met onze vaccinatie strategie. Tenminste dat valt te concluderen uit het toch wel trage tempo dat nu wordt gehanteerd. En dat terwijl nu reeds een jaar wordt gesteld dat de eigenlijke oplossing van de coronacrisis moet komen van een hoge vaccinatiegraad onder de Nederlandse bevolking. In een poging te snappen wat er aan de hand is kom ik tot een aantal factoren die het uiteindelijke resultaat bepalen. 

Belangrijk natuurlijk is a) welke vaccins hebben we, b) wie krijgt welk vaccin en c) hoe worden vaccin toegediend en d) hoe staat het met de nazorg

Op ieder van deze vier aspecten is wel iets bijzonders aan de hand in Nederland /Europa.

Ad a) welke vaccins hebben we. Hier zou eigenlijk moeten staan “welke vaccins zouden we moeten krijgen en welke zijn daadwerkelijk aanwezig”. Er zit nogal wat verschil tussen die twee grootheden. 

planning levering vaccins aan Nederland

Op zichzelf genomen zou dit palet aan werkende vaccins voldoende moeten zijn om die hoge vaccinatiegraad te bereiken. Het tempo van levering is nu de belangrijkste variabele.

Vooral schijnt dat te spelen bij het Astra Zenica (AZ) vaccin. De oorzaak is gelegen in onduidelijkheden in de contractafspraken die met dat bedrijf gemaakt zijn. Het Verenigd Koninkrijk is de EU duidelijk voor geweest met het maken van definitieve leveringsafspraken met dat bedrijf. En daarna heeft dat geleid tot een twist over de vraag of in Nederland geproduceerde vaccins wel aan het VK geleverd mogen worden in plaats van naar de EU-partners. Je moet er jurist voor zijn om daaruit te komen. Maar verwarrend blijft het. Die verwarring slaat een beetje om in consternatie als je verneemt dat Nederland de kans gekregen heeft om in april vorig jaar nog te investeren in de fabriek in Leiden die nu die vaccins maakt. Een gesprekje tussen Pieter Omtzigt (hij weer!) en Mark Rutte heeft niet geleid tot een investeringsbeslissing vanuit het kabinet. Was dat gebeurd had het misschien anders gelopen zo hoor je nu. Of dat zo zou zijn is niet meer na te gaan gezien de vele leveringsmoeilijkheden die AZ nu heeft. Feit is wel dat de markt van het leveren van vaccins een vechtmarkt in optima forma geworden is. Het artikel in de Volkskrant van dinsdag 6 mei maakt dat treffend duidelijk. 

Volkskrant 06042021 https://www.dropbox.com/s/alj9r6mftvd98oq/thierry%20Breton.pdf?dl=0

ad b) wie krijgt welk vaccin?

Ook daarover wordt veel gesteggeld. In mijn blog van 7 februari over “crisisbeheersing en preventie” heb ik het daar ook al over gehad. Het blijkt een onderwerp te zijn waar veel “interactie” op gevoerd wordt tussen beleidsmakers en uitvoerende politici. Het schema wil nog wel eens wijzigen. De laatst beschikbare versie heb ik hierbij gevoegd

vaccinatiestrategie NL 23022021

Zo te zien een redelijk gedifferentieerd beeld. Het lobbycircuit heeft prima gewerkt, toch! Of we daar goed aan gedaan hebben is natuurlijk een heel andere vraag. Daar komt bij dat op het moment van dit schrijven voor de tweede keer de vaccinatie van AZ geblokkeerd is. Als reden wordt gehanteerd het optreden van een bepaald type trombose bij een inderdaad toenemend aantal vrouwen. En dat in alle landen. Ik zou verwachten dat op basis van gezamenlijke besluitvorming wijzigingen in de strategie zouden worden doorgevoerd. Immers door het Europese agentschap EMA is het vaccin toegelaten. Na de eerste ophef over de bijwerkingen heeft EMA zich opnieuw uitgesproken. NL is daarna weer begonnen met het vaccineren. En wat zien we nu? Voor een tweede keer geïnitieerd door hernieuwde berichtgeving stopt Nederland weer met het toedienen van AZ. Een politiek besluit van het ministerie van VWS. Daarna komen berichten van het College Beoordeling Geneesmiddelen dat we nu een nieuw oordeel van het EMA afwachten om de voorlichting over het vaccin en de beschrijving van de bijwerkingen beter te maken. Zo wil met het vertrouwen in het vaccin herstellen. Wat mij betreft heeft men precies het tegenovergestelde bereikt. Niet alleen gaat het rechtstreeks in tegen de inmiddels vastgestelde effectiviteit van het vaccin (zie de daling van de infectiegraad bij ouderen 80+). Ook zijn deze bijwerkingen maar een fractie van de geaccepteerde bijwerkingen bij andere behandelingsstrategieën. Of zoals gesteld door de trombose expert Ten Cate ‘Laten we uitgaan van de Nederlandse cijfers, met een risico op een verdacht ziektebeeld van ongeveer één op de 100 duizend prikken. Een-derde van hen overlijdt, dan is de kans op sterfte één op de 300 duizend. Dat risico is vergelijkbaar met de kans op een dodelijk ongeval als je 220 kilometer gaat fietsen, of naar Madrid rijdt met de auto. Toch stappen we op de fiets.’ Bovendien blijkt dat de bijwerking merendeels voorkomt bij vrouwen die ook nog eens de anti-conceptie pil gebruiken. En met dat gegeven wordt geen verdere rekening gehouden. Geen wonder dat cardiologen en trombose deskundigen deze handelwijze betitelen als paniekvoetbal door de politiek. Inmiddels is het donderdag. De EMA heeft het risico opnieuw beoordeelt. Zij acht, in het licht van de ernst van de corona pandemie, de vaccinatie met dit effectieve AZ vaccin ruimschoots opwegen tegen de risico’s van mogelijke bijwerkingen. Minister de Jonge speelt vervolgens nóg een keer op safe en vraagt de Gezondheidsraad wederom om advies. Zou hij dat advies dit keer wel volledig opvolgen? Annelien Bredenoort wordt in de Volkskrant geïnterviewd over deze gang van zaken. Zie: https://bit.ly/3wyfhwF  Haar uitspraak “doordat de overheid géén risico’s heeft willen nemen met AZ is er juist meer risico ontstaan” geeft precies weer hoe ik er tegenaan kijk.

volkskrant 08042021

Ad C) hoe worden vaccins toegediend.Kijkend naar het vaccinatieschema valt de forse diversiteit in benadering op. Ook zie je dat de opschaling naar een massalere aanpak maar niet wil lukken. Niet alleen ontstaat er ophef over het op de plank blijven liggen van de vaccins die toch al geleverd zijn. Er worden ook locaties van de GGD bijgeplaatst die maar marginaal gebruikt worden. En dan nog geven ziekenhuizen en huisartsen aan dat ze best een rol kunnen en willen spelen bij het “wegprikken” van al die vaccins die nu niet gebruikt worden. Als je dat optelt is het een goede verklaring voor het grafiekje dat aangeeft dat NL weer daalt in de ranglijst van vaccinerende Europese landen.

toegediende vaccins per 100 inwoners

Als je de link https://coronadashboard.rijksoverheid.nl/landelijk/vaccinaties volgt kun je zien dat er nog een fors verschil is tussen het aantal geplande vaccinaties en het aantal gerapporteerde daadwerkelijk gezette prikken. Het levert alles bijeen een cijfer brei op die toch niet kan verhullen dat het met de uitvoering van de strategie op zijn zachts gezegd niet soepel verloopt.

Ad D) Hoe staat het met de nazorg?

Wellicht is een betere titel voor dit hoofdje als ik zou schrijven “na de zorg”. Enkele weken terug was er enige politieke ophef over het gegeven dat bij voldoende vaccinatiegraad het mogelijk moet zijn om Nederland weer van het slot te halen. Er worden zelfs experimenten gedaan. Zoals festivals met streng gecontroleerd publiek en wellicht zelfs de afsluiting van de voetbalcompetitie in de eredivisie met publiek. (dit omdat de UEFA dat schijnt te willen). En op landelijk en Europees niveau is er sprake van een vaccinatie paspoort. Al zal dat vermoedelijk in de vorm van een app gaan gebeuren. Maar voorlopig hoor ik veel te weinig over het openstellen van musea, sporthallen, wijk en buurtcentra. Al zie ik wel een bericht langskomen. 

Limburger 06042021 https://t.co/dqTR8BcTgo?amp=1

Daarin stelt de voorzitter van het landelijk veiligheidsberaad Hubert Bruls ook nog eens dat de terrassen snel open moeten. “Als het meer dan twintig graden wordt, houd je niemand meer binnen”. Tja, dat moge zo zijn maar dan zal toch echt duidelijk moeten zijn a) welke testen adequaat zijn en b) onder welke omstandigheden een testuitslag nog geldig is. 

Wat te doen met dit beeld? 

Vaccinatie is hét middel om uit deze pandemie te komen. Want dan kan het leven buiten de huiselijke kring weer opgepakt worden. De economie kan zijn gewenste ontwikkeling weer nastreven en we zouden weer op pad kunnen gaan. Maar voorlopig wil dat allemaal nog niet lukken. Ook krijgt het vertrouwen in het beleid dat gevoerd wordt een knauw. Simpele gedragsregels die vorig jaar nog ondersteunend waren aan het beperken van de verspreiding van het virus worden minder gevolgd of worden zelfs openlijk belachelijk gemaakt. Kortom het draagvlak voor het gevoerde beleid neemt af. Terwijl er nog steeds terechte beperkingen zitten op het hebben van contact met anderen b.v. in het kader van vrijwilligerswerk. Dat is frustrerend aangezien ik wel kan zien dat er een enorme behoefte is aan duidelijkheid over wat er wel en niet kan. Ook een behoefte aan consistentie in het beleid en een duidelijke uitleg van gemaakte keuzen. Maar tussen al de woorden die op papier en via beeld worden uitgesproken overheerst toch een hoogst verwarrend beeld. Met alle goede bedoelingen die erachter zitten is deze leiding van de pandemie in Nederland nou niet een beeld van standvastigheid. Nee het is eerder zwak leiderschap dat bovendien nog in staat is zichzelf te ondergraven. Waarom vraag je advies hoe te handelen en neem je ondertussen reeds maatregelen die daarop vooruitlopen? ( zie de tweede onderbreking bij AZ vaccinatie) Waarom zeg je de adviezen vanuit de wetenschap als leidraad van je beleid te gebruiken terwijl je het advies van de Gezondheidsraad over het doelgroepenbeleid tot drie keer toe naast je neer legt? Gemaakte keuzen worden slechts gedeeltelijk toegelicht om het woord onderbouwing maar even niet te gebruiken.

Als bestrijding van de ziektelast zo belangrijk moet zijn dan kom ik terug bij mijn blog van februari. Vaccineer met voorrang de 60+ers. En kom snel met een strategie om mensen weer de ruimte te geven dmv van een vaccinatie en of testbewijs. Dat helpt ook onze economie. Een dergelijke tweeledige strategie zullen we hard nodig hebben; immers Covid 19 en haar varianten zullen nog lang onder ons blijven is mijn inschatting.

Aanvulling van 9 april

Inmiddels heeft de Gezondheidsraad een diep verdeelde Gezondheidsraad een advies uitgebracht. Dit wordt gevolgd door min de Jonge. Mensen onder de 60 jaar krijgen geen AZ vaccinatie meer. De conclusie is dat de voordelen aan het vaccineren niet op wegen tegen de imagoschade die eventuele bijwerkingen aan vaccinaties in het algemeen en coronavaccins in het bijzonder toebrengen. Ik schrik toch wel van deze constatering. Als het nou zo zou zijn dat we alternatieven hadden om deze pandemie te bestrijden dan kan ik een dergelijke conclusie nog begrijpen. Maar er is een behoorlijke schaarste aan vaccins en op deze manier halen we een erkend werkende preventiemaatregel onderuit. En vervolgens stopt de GGD ook nog per acuut met de vaccinatie met AZ.  Afspraken voor en eerste prik worden geschrapt, heb je die eerste al gehad dan kan de tweede prik toch gehaald worden. Zo haal je volgens mij het vertrouwen in onze vaccinatie strategie nog verder onderuit. Minister de Jonge zegt dat hij “geen grote consequenties verwacht” van deze hernieuwde stop. Hij beseft onvoldoende dat door deze stop de angst die juist moet worden weggenomen, wordt gevoed. Een verdere voortzetting van een zwalkend beleid. Gelukkig wordt het voorjaar en kunnen coronavaccins daar slecht tegen.   

Circulaire economie: oftewel “afval als grondstof”

In deze tijd van verwerking van een verkiezingsuitslag op landelijk niveau staat het vergrootglas natuurlijk gericht op de inrichting van ons nieuwe landsbestuur. Als lokaal actieve burger/politicus is dat de moeite waard om bij te houden maar echt beïnvloedden kan ik dat natuurlijk niet. Liever besteed ik die tijd om eens te bezien en nu te beschrijven waar de echte kansen voor de toekomst liggen. En dan vooral wat daaraan bij te dragen is vanuit een lokale oriëntatie. Nu wil het dat ik deze week een tweetal activiteiten heb die betrekking hebben op eenzelfde thema n.l. Afval. Sluit de week met het vaststellen van een lokaal afvalbeleidsplan, zij begint met de toekomst van het chemisch industrieel complex Chemelot. 

Bovenstaande figuur geeft de kern weer van het strategisch plan 2020-2050. Een verhaal dat mijns inziens getuigd van een gezonde ambitie en dito toekomstperspectief. Chemelot is feitelijk een bedrijfsverzameling campus op grond (80 ha) van DSM (voorheen Staatsmijnen/DSM) waar zich verschillende multinationals gevestigd hebben (o.a. Sabic, Newes, DB Cargo, Aesseal Benelux bv e.a.) De totale omzet van deze bedrijven op deze locatie is ca 10miljard euro. In zijn totaliteit is Chemelot verantwoordelijk voor 3% van de NL-broeikasuitstoot. Ter vergelijking Hoogovens is verantwoordelijk voor 7,5%. Vanuit de historie is op Chemelot het gebruik van fossiele grondstoffen leidend voor de industriële productie. Ontstaan vanuit de mijnbouw (cokes) is nu het gebruik van olie en (aard)gas een belangrijke grondstof. Met allerlei infrastructuur (pijpleidingen, rail, wegtransport) worden die aangevoerd en vervolgend de producten weer uitgeleverd. Belangrijk aspect voor de toekomst is dat Chemelot een gemeenschappelijke strategie heeft ontwikkeld. Er is veel onderlinge dienstverlening. Kern van deze strategie is het gebruik van afval en biomassa als grondstof om zo door te groeien als epicentrum voor circulaire chemie. De ambitie is om in 2050 dat niveau bereikt te hebben.

Een voorbeeld; Sabic is bezig met het hergebruik van petflessen om zo grondstof voor nieuwe plastics te kunnen maken. Er worden nu proeven gedaan die uiteindelijk moeten leiden tot een proeffabriek waarin alle plastic flessen van NL gerecycled kunnen worden. Om dat met behoud van de beoogde kwaliteit te kunnen doen is een gereguleerde inzameling van gebruikte plastics noodzakelijk. Dat verwerken is de core business van QCP een nieuw op Chemelot gevestigd bedrijf.

De doorontwikkeling van de ambitie van Chemelot is natuurlijk afhankelijk van het vinden van de goede partners is de ontwikkeling van de circulaire chemie mogelijk maakt. De gezamenlijk opgestelde strategie geeft de gelegenheid om gerichte bedrijfsacquisitie te doen. Daarnaast blijkt dat veel van deze industriële processen in hoge mate afhankelijk zijn van toegevoegde energie. In een periode waarin steenkool en later aardgas de energiedragers vormden was dat nauwelijks een probleem. Naar de toekomst toe – CO2 reductie! – is dat natuurlijk wel een belangrijk issue. Vandaar dat activiteiten worden verricht gericht op de toepassing van waterstof als energiedrager. De waterstofproductie zelf kan ontwikkeld worden via verwerking van huishoudelijk afval (GFT), rioolslib of afval afkomstig van de papierindustrie. Op deze manier kunnen verschillende gebruiksketens gesloten en de hoeveelheid restafval drastisch verminderd worden. 

Dat deze ambitie nogal wat uitdagingen stelt voor de omgeving moge duidelijk zijn. Dit geldt niet alleen op logistiek en ruimtelijk niveau. Maar het is ook een uitdaging van de eerste orde om de benodigde kennis te verzamelen die ondersteunend is aan deze ontwikkeling. Nauwe samenwerking met kennisinstituten binnen en buiten de regio is dan ook aan de orde. (Brightlands, Chill) En aan de instellingen die de nieuwe werknemers van de toekomst moeten opleiden. Dat zullen andere banen zijn dan nu, maar het spectrum MBO—HBO– WO zal ook dan vertegenwoordigd zijn. En zo worden voor de naaste toekomst de nieuwe banen gecreëerd die de regio nodig heeft om wonen en werken in de regio mogelijk te maken. 

Voor de regio is dit een fors veranderend perspectief. Toen ik naar de middelbare school ging werd de mijnschool gesloten. Een toekomst als “ondergronder” in de mijnen was er voor de opgroeiende jeugd niet meer bij. Daarna ontstond de chemische industrie met de ontwikkeling van plastics. En nu gaat het langzaam in de richting van een circulaire chemie waar uitgaand van afvalstoffen de nieuwe producten worden gemaakt die we overal zullen tegenkomen.  Alles bijeen een behoorlijke omwenteling niet alleen in bedrijvigheid maar ook in sociologisch en cultureel opzicht. Een verandering die alleen gerealiseerd kan worden als er draagvlak voor gevonden kan worden. En daar heb ik als lokaal actieve politicus natuurlijk een rol in te spelen. Immers, niet iedereen zal deze verandering op voorhand als positief beoordelen. 

Een tweede activiteit deze week met betrekking tot het afval is gericht op de vaststelling van het regionale beleidskader “van afval naar grondstof 2021-2025”. Samen met de andere gemeenten in de Westelijke Mijnstreek wordt deze nota vastgesteld. Niet geheel toevallig heeft zij hetzelfde uitgangspunt van “circulariteit” gekozen. Ook op lokaal niveau wordt duidelijk dat we maar één aarde hebben (zoals de PvdD stelt “er is geen plan B”). En ja, als je wat dieper in de materie duikt gaan we met zijn allen nogal ruig om met de grondstoffen die we gebruiken om allerlei producten aan ons leven toe te voegen. Maar erger is hoe we daarmee omgaan de gebruiksperiode. In het mooie heuvelrijke Limburgse land heb ik gedurende de jaren zelf kunnen zien hoe we daar een aantal heuvels aan hebben toegevoegd. Niet alleen als gevolg van de steenkoolproductie. Veel van deze steenbergen zijn inmiddels weer afgegraven of voorzien van een recreatieve functie (Snowworld in Landgraaf als voorbeeld). Maar ook het huishoudelijk afval werd op die manier verwerkt. Omturnen in een golfcourse is soms aantrekkelijk maar helpt niet echt. Veel afval wordt naar verbrandingsovens gebracht, al dan niet in het buitenland gevestigd. Maar hergebruik vindt maar zeer beperkt plaats. 

Uit de studie die verricht is blijkt dat de gemiddelde inwoner van mijn gemeente Beek nu 140 kg per jaar aan afval produceert. Weinigen zullen zich dat realiseren. Maar dat het veel in gewicht en volume is wordt duidelijk nu we sinds enkele jaren het verpakkingsafval gescheiden inzamelen. Dat gebeurt slechts ééns in de maand en leidt tot indrukwekkende beelden in het straattoneel. De ambitie die nu wordt uitgesproken geeft aan dat we van 140 kg in 2021 via 100 kg in 2025 naar 30 kg in 2030 toe willen gaan. Als je het mij vraag een behoorlijk ambitieus plan. Geheel passend bij de ambitie van Chemelot zoals hierboven weergegeven zou het natuurlijk zijn als je deze afvalstroom zo zuiver mogelijk weet in te zamelen. Lukt dat met de huidige werkwijze? Nee helaas niet. Want niet alleen vereist dat voor de inwoners een heel andere manier van omgaan met het materiaal. Het vraagt ook een veel gedifferentieerder inzamelingsprocedure. Maar dat hoeft geen nadeel te zijn. Eerder is het een kans. Want als de kwaliteit van de inzameling omhooggaat, kan ook de kwaliteit van het afval omhoog. Een betere inzameling kan leiden tot een beter restproduct/grondstof. En dat organiseren levert natuurlijk weer andere en nieuwe banen op. We kunnen met de goede scheiding aan de bron afkomen van de grootschalige verwerking van reststromen die nu nog te veel leidt tot het verbranden van afval. Maar zo in de vlugheid beschreven zal duidelijk zijn dat het anders omgaan met ons afval toch ook een behoorlijke verandering van instelling vergt bij producent én consument. Het gebruik van verpakkingsmateriaal in de supermarkt mogen we dan eens kritisch gaan herbezien. Dat lukt des te beter wanneer we als consument ons koopgedrag gaan aanpassen. Maar het helpt ook als we nu eens eindelijk gaan beginnen met het echt gebruiken van het statiegeldprincipe op glas, blik en ander verpakkingsmateriaal. Zo bezien is het niks te vroeg dat het besluit door de staatssecretaris van milieu nu genomen is en het gedraal van het winkelbedrijf tot een einde is gekomen. En dan staat vandaag het bericht dat Albert Hein de plastic zakken gaat afschaffen! Onderstaand overzicht over het gebruik van plastics laat zien dat er meer te doen valt.

Wat betekent dit nu voor het vaststellen van een beleidsnota. Wat mij betreft zal helder gemaakt moeten worden dat de ambitie fors is. Dit heeft alleen kans van slagen als er een duidelijke uitvoeringsagenda wordt opgesteld. Dat die ook inzicht geeft in de gevolgen die deze ambitie kan hebben niet alleen voor de beurs van de burger (minder afval moet uiteindelijk toch leiden tot een lagere heffing zou je zeggen maar dat zal in het begin zeker niet lukken). Maar als het echt iets worden wil zullen er duidelijke gedragsveranderingen moeten plaatsvinden. Die gaan meestal niet vanzelf. Ze houden kansen in voor de leefbaarheid en bedrijvigheid in de naaste toekomst. Het creëren van draagvlak daarvoor is wat mij betreft een forse uitdaging voor een lokaal actieve politicus. Het overdragen van een leefwereld aan een toekomstige generatie vraagt nu om een helder beleid. De vormgeving van een circulaire economie past daar zeer goed bij.  

Verworven vertrouwen door D66!

Een zenuwslopende avond gisteren. Als afronding van een campagneweek die mij steeds meer geloof gaf in een goede uitkomst. En dat zat m vooral in het toch ijzersterke optreden van Sigrid Kaag als lijsttrekker. En dat dit niet door iedereen gewaardeerd werd vond ik niet zo verrassend. Mensen met een duidelijke visie worden vaak om vormredenen terzijde geschoven. Zo ook bij haar. Maar bij mij heeft ze iets losgemaakt. Ik heb al langer het idee dat zij een heel goed politicus is. Op de een of andere manier stond in mijn geheugen gegrift het beeld van haar optreden in Syrië. Ik vond het toen al getuigen van een ongelofelijke persoonlijke moed en kracht als je in die situatie wilt opereren en nog sterker als je daar toch een mooi resultaat weet te bereiken. Ook al is dat de bekende druppel op de gloeiende plaat. 

Waarom dat beeld me bijgebleven is? Dat beeld bracht mij terug op de naïeve overmoed die ik als 18-jarige aankomend dienstplichtig militair had toen ik me aanmeldde als potentiele deelnemer aan het VN-leger in Libanon. Eenvoudige motivatie daarbij; als je toch iets in het leger moet doen dan maar iets in de sfeer van vredebrengen. Gelukkig mocht ik eerst nog eens gaan studeren en mijn promotieonderzoek afronden. Hoe ongelofelijk naïef dat was heb ik 10 jaar later ondervonden. Inmiddels als daadwerkelijk dienstplichtige Reserve Officier Academisch Gevormde actief bij de militaire bloedbank. En eens in de maand 24 uur op de Oranje-Nassau kazerne in Amsterdam door mocht brengen als officier van kazernepiket. Een rol die me iets beter paste maar toch wel heeeel ver verwijderd was van het opereren in “de Libanon”.

Die persoonlijke moed en drive om richting te geven aan een maatschappelijke ontwikkeling klonk ook door in de rest van de campagne. Mijn stem had ze al gauw gewonnen en stiekem hoopte ik op een klapper. Het zou zomaar kunnen. En als je overeind kunt blijven ook nadat je zoveel nare, haatdragende berichten over je uitgestort krijgt getuigd dat van persoonlijke kracht.

De Groene Amsterdammer 3 maart 2021

Dat moet meerdere mensen opvallen was mijn idee. Bovendien werd die persoonlijke inzet ook nog eens gekoppeld met een duidelijke visie. De politiek is er immers om richting te geven aan de samenleving en daar draagvlak voor te verwerven. Prioriteit geven aan klimaat en onderwijs is een toch wel erg noodzakelijke toekomstgerichte boodschap. Als dat geen wervend karakter heeft weet ik het ook niet meer.

Het stemmen opgesplitst in een periode van 3 dagen helpt niet echt om het vertrouwen in een goede afloop te krijgen. Het was met alle extra maatregelen goed georganiseerd, daar niet van. Zelf heb ik bewust gewacht tot de derde dag. De dag van de echte verkiezing als je het mij vraagt. En als ik dan in een supergrote Asta komt met twee stembureaus waar 8 personen het stemmen in goede banen leiden en ik ben de enige stemmer slaat me de schrik om het hart. Leeft het hier in Beek wel dat er nu verkiezingen zijn. Dat we via onze stem het beleid moeten beïnvloeden? Oei hoe gaat dat verder.

’S Avonds om 21.00 uur vol verwachting de eerste exit poll gezien. En tergend langzaam komt het resultaat van D66 naar voren. Maar wat is het een klapper! In mijn droom hield ik dit niet voor mogelijk. Beste resultaat ooit voor D66! Dat daar een dansje op de tafel bij hoort is terecht. Dat beeld houden we maar eens even vast, want morgen komt natuurlijk de onvermijdelijke nuancering als deze opdracht waargemaakt moet worden. Maar Jeetje wat is het prachtig en zo verdient. Niet alleen voor Sigrid en D66, maar volgens mij ook voor Nederland.

Dat het beeld de volgende dag een beetje genuanceerd moet worden (van 27 zetels naar 24 in de aangepaste exitpoll) doet niks af aan het terechte enthousiasme. D66 is en blijft de tweede partij. Ook de teflon minister-president Mark Rutte blijkt er zetels bij gewonnen te hebben. Dat belooft toch een spannende formatie te worden. Eerst maar eens wachten op de definitieve uitslag. Een ding is zeker, het wordt er niet gemakkelijker op maar D66 gaat een duit in het zakje doen. Ten behoeve van het redden van het klimaat.

resultaten tweede kamerverkiezingen in Beek 2012-2021

Als lokaal actieve politicus kijk ik natuurlijk ook naar het resultaat in Beek. En dan is te zien dat de landelijke tendens ook in Beek herkenbaar is. Zij het dat het uitgangspunt beduidend conservatiever is dan het landelijk gemiddelde. Maar dat is geen verrassing voor het vanouds ondernemende boerendorp gelegen aan de poort van het heuvelland. 

Lokaal werken we samen in een combinatie met GL en PvdA als “Progressief Beek. Een combinatie die al sinds 2006 mooie resultaten weet te behalen. Maar toch, we zullen lokaal nog eens goed moeten kauwen op dit resultaat willen we volgend jaar ook in Beek een steviger vuist kunnen maken.

De gemeente alleen een uitvoeringsorganisatie van het Rijk ?

Wat we nu aan de hand hebben zijn verkiezingen voor de Tweede Kamer der Staten Generaal. Dit als opmaat voor het vormen van het landsbestuur via een kabinetsformatie. Tijdens dat formatieproces worden afspraken gemaakt waarmee partijen zich liefst voor een periode van 4 jaar kunnen binden aan een programma. Geleidelijk aan hebben die afspraken geleid tot een boekwerk met zeer veel details. Een enkel onderwerp waar men b.v. niet uitkomt tijdens de formatie wordt als “vrij” betiteld of via een pilotexperiment of een onderzoek buiten de politieke agenda geschoven. Alle overige onderwerpen worden voor de behandeling van wetsvoorstellen in de tweede kamer in een wekelijks coalitieoverleg gemonitord. Verrassingen worden zo voorkomen, stemverhoudingen zijn op voorhand vast te stellen. Als gevolg van deze werkwijze is het nogal lastig om correcties op de uitvoering van het nieuwe beleid mogelijk te maken. Op zijn vroegst is dan de volgende formatieperiode het moment waarop dat kan. 

En zo is het overheidsbeleid een mamoettanker die nauwelijks van koers kan veranderen. Toch is het soms nodig om eens kritisch te kijken naar de gevolgen van in gang gezet beleid. In principe zijn daar ook de mechanismen voor die dat mogelijk maken. Op gezette tijden verkiezingen houden is het belangrijkste democratische instrument. En als het inhoudelijk debat dat gevoerd wordt leidt tot een verandering van keuze dan kan dit aanleiding zijn voor vernieuwing. Maar ook “tijdens de rit” zijn er instrumenten beschikbaar. Zowel regering en parlement beschikken daar over. Het is mijns inziens niet toevallig dat nu na het eind van 10 jaar leiderschap van minister-president Rutte er een veelheid van parlementair onderzoek en enquêtes aan zit te komen. De kindertoeslagenaffaire, Afwikkeling schade gaswinning in Groningen, onderzoek naar Uitvoeringsorganisaties zijn recente voorbeelden. 

Er is volgens mij een centraal element te herkennen in deze onderwerpen. Eigenlijk hebben ze allen te maken met een besturingsfilosofie ten aanzien van de overheid. Niet vreemd dat dit zo aan het eind van een neo-liberale periode gebeurt. Daarin is de overheid zich meer en meer als bedrijf gaan opstellen en heeft beleidsontwikkeling en -uitvoering van elkaar gescheiden. Die verzakelijking heeft ook een afstand geïntroduceerd tussen theorie (beleid) en praktijk (effect). Niet zo vreemd eigenlijk dat als gevolg hiervan het vertrouwen van de burger in het overheidsbeleid aanzienlijk is afgenomen. Dat herstellen gaat langzaam. En wellicht helpen de parlementaire enquêtes die zijn geïnitieerd daarbij. Maar het gaat nog zeker twee jaar duren voordat we daarvan de gegevens beschikbaar krijgen. Volgens mij kunnen we niet zo lang wachten. Het roer moet om! Deze verkiezings is een uitgelezen moment om daar een begin mee te maken. Nu verwacht ik niet dat de kiezer nu al zal doorbijten. De signalen nu zijn dat een voortzetting van het huidige leiderschap het meest aannemelijk is. Een campagne die als gevolg van de Covid 19 pandemie niet van de grond kan komen vormt een rem op het inzicht bij de kiezer.

Hoe taai een veranderproces kan zijn heb ik als raadslid van een gemeente aan den lijve kunnen ondervinden. In 2015 hebben we een start mogen maken met de uitvoering van wat in de wandelgangen de 3D’s is gaan heten. Oftewel de decentralisatie van de uitvoering van de Participatiewet, De WMO en de Jeugdwet. Centraal beleidsuitgangspunt daarbij is dat dit beter dicht bij de burger zou kunnen worden geregeld. Op gemeentelijk niveau dus. De complexiteit van de wetgeving bracht met zich mee dat uitvoering alleen mogelijk is in groter verband. Gemeenten werden gedwongen om op regionaal niveau te gaan werken. Het vorige kabinet streefde nog naar een omvang van 100.000 inwoners per gemeente; inmiddels is dat gelukkig losgelaten. Grotere effectiviteit bij uitvoering op gemeentelijk niveau heeft ertoe geleid dat het rijk gelijk kans zag te bezuinigen. En dat heeft de burger geweten. T is dat ik niet eerder begonnen ben met het schrijven van dit blog, anders had ik reeds vele pagina’s kunnen vullen. Maar nu na 5 jaar uitvoering is het menigeen duidelijk dat er geld bij moet. Terecht dat de VNG zich daar nu ook sterk voor maakt en een brandbrief stuurt aan kabinet en politieke partijen.

Op korte termijn vinden we dan ook het gehoor dat nodig is. Voor 2021 en 2022 is extra geld beschikbaar gekomen m.n. voor de jeugdzorg. Maar dat betreft incidenteel geld. Nu weten we dat als gevolg van Corona de problematiek rondom de jeugdzorg zich nog verder zal verscherpen. Kortom Gemeente maak je borst maar nat. 

Ik vraag me af of de brandbrief van de VNG voldoende doorgedrongen is bij de opstellers van de verkeizingsprogramma’s en dat zij bereid zijn iets te doen aan deze structurele onbalans. Ten aanzien van de Participatie wet geldt dat er brede steun aanwezig is om opnieuw te kijken naar de positie van de arbeidsmarkt voor mensen met een arbeidshandicap. Of die verzilverd kan worden is even de vraag. Ten aanzien van de jeugdzorg zien we dat CDA en VVD het belang ervan inzien. Tenminste als je de campagneuitingen mag geloven.

Maar is er echt een andere wind op komst? Komt men af van het incidenteel corrigeren en gaan deze partijen nu eens echt het belang van de gemeente als lokale overheid ook financieel mogelijk maken? Vergelijking van de verkiezingsprogramma’s erbij gehaald. Bijgaand overzicht uit “Binnenlands Bestuur” van 26 februari 2021 laat zien hoe verschillend gedacht wordt door de genoemde partijen.

Als je het mij vraagt een weinig hoopvol beeld. Moeten we dan ook hier wachten totdat er een parlementair onderzoek komt dat als titel meekrijgt: De gemeente als uitvoeringsorganisatie van het rijk herbezien? Dat moet toch eerder kunnen! Waarom dat niet opgepakt bij de komende kabinetsformatie? Laten we dat moment gebruiken om de gemeente reëler taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden te geven. En stoppen om ze te behandelen als een willekeurige uitvoeringsorganisatie van het Rijk. Als kiezer kunnen we daar het verschil maken. Door aan de hand van deze informatie de campagneprietpraat te onderscheiden van het beleid dat men echt voorstaat. En vervolgens door Strategisch te kiezen.

Ik ga dat in ieder geval doen. De campagne is nog niet voorbij. Het kan nog ergens over gaan. Uit oogpunt van de toekomst van de uitvoering van wetgeving in het sociale domein. Zodat ik als lokale volksvertegenwoordiger weer vertrouwen kan geven aan de uitvoeringspraktijk. En dat ik waar kan maken waar ik door de kiezer voor aangenomen ben; een betere uitvoeringspraktijk in het sociale domein door op lokaal niveau het verschil te maken.

En dan zien we vandaag 16 maart een bijdrage in Binnenlands Bestuur verschijnen. “Minister Hoekstra van Financiën (CDA) heeft in de ministerraad van 5 maart nee gezegd tegen extra jeugdgeld voor gemeenten. Hij blokkeerde daarmee de eerder gedane belofte van het kabinet aan gemeenten, om op 11 maart een aanbod te doen om de financiële nood te lenigen“. Een duidelijker illustratie hoef je niet te hebben dacht ik zo. Wat mij betreft maakt dit duidelijk dat de verhoudingen toch echt anders moeten willen we het vertrouwen in het bestuur weer verkrijgen. Het zou mooi zijn als de kiezer deze dagen benut om een duidelijk signaal af te geven waar de landelijke partijen niet omheen kunnen.